Posts tonen met het label Psychology by Peter Gray. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Psychology by Peter Gray. Alle posts tonen

H11. Ontwikkeling

Fysieke ontwikkeling
De prenatale periode is te verdelen in drie fasen:
- Zygotische fase (1ste 2 weken)
- Embryonische fase (3e-8e week)
- Foetus fase (9e-laatste week van zwangerschap)
Na versmelting van een eicel en zaadcel begint een zygote zijn weg naar de baarmoeder. Deze reis duur ongeveer twee weken en gedurende deze tijd begint de zygote zich steeds meer te delen
In de embryonale periode ontwikkelen alle belangrijk organen zich. Het embry krijgt voedingstoffen binnen via de placenta.
Foetale periode → groei en verfijning van de organen en lichaamstructuur. Bovendien verandert de foetus in verhouding: hoofd-lichaamverhouding, waarbij het hoofd in verhouding tot het lichaam steeds kleiner wordt = cephalocaudale ontwikkeling.
Aan het einde van de twaalfde week beginnen de genitalia zich te differentieren in mannelijke- of vrouwelijke genitaliën. Foetussen zijn in staat om in de loop van de zwangerschap te reagere op stimuli van de buitenwereld, bijv op de hartslag en taal van de moeder.
Teratogenen zijn omgevingsstoffen die schade aan kunnen brengen gedurende de prenatae periode. Vb, cocaine, antidepressiva, alcohol, tabak, marijuana. Het potentiele effect van een teratogeen op de prenatale ontwikkeling gang af van hoe vroeg of lat se blootstelling ervan gebeurt in de zwangerschap. Zo kan een teratogeen grote invloed uitoefenen op de ontwikkeling van de organen wanneer de moeder dit middel inneemt gedurende de embryonale periode. De foetus kan ook reageren op moederlijke stress of voeding. Babys die voor de geboorte blootgesteld zijn aan hoge hoeveelheid stresshormonen laten meer angst, impulsivteit, executieve disfuncties en aandachtsproblemen zien na de geboorte.
De kindertijd (18-24 maanden na geboorte) is de periode waarin de snelste ontwikkelingsveranderingen plaatsvinden die grote invloed hebben op de latere ontwikkeling.
De puberteit is de ontwikkelingsfase waarin reproductieve systeem begin te groeien. Een toename van hormonen in zowel mannen (androgenen, met name testosteron) en vrouwen (oestrogeen en progesteron) dragen bij aan veranderingen in de fysieke lichaamsbouw, reproductied vermogen en emoties en gedrag gerelateerd aan seksuele aantrekkingskracht.

Ontwikkeling van denken bij baby's
De eerste 18 tot 24 maanden na de geboorte is een periode van snelle veranderingen in de ontwikkeling. Een baby wordt geboren met werkende sensorische systemen, alleen het zich is niet helemaal rijp. Al meteen na de geboorte reageren baby's op stimuli en al snel doen ze dat selectief. Habituatie is een afname in aandacht die een baby vertoont als hij langere tijd naar een stimulus kijkt. De voorkeur voor nieuwe stimuli laat zien dat baby's actief proberen informatie te leren over hun omgeving. Binnen enkele weken na de geboorte zijn baby's vooral geïnteresseerd in de dingen in hun omgeving die ze kunnen controleren. Tot een maand of 3, vier stoppen baby's alles in hun mond, naarmate de baby ouder wordt gaan ze objecten ontdekken met hun handen en hun ogen.
Vanaf maand 5 onderzoeken baby's echt objecten. Dit gedrag neemt af als de baby een object leert kennen. Het onderzoeken van een object vereist gerichte aandacht en daardoor zijn baby's moeilijker af te leiden als ze bezig zijn een nieuw object te onderzoeken. Zo zijn baby's van ongeveer 6 maanden in staat om de handelingen met een object van een volwassene na te botsen. Vanaf die leeftijd doen baby's aan gezamenlijke visuele aandacht met volwassenen. Dit betekent dat de baby daar heen kijkt waar de volwassenen ook heen kijkt. Op deze manier leer een baby welke objecten belangrijk zijn. Als baby's op de leeftijd zijn dat ze kunnen kruien of lopen nemen ze deel aan social referencing → Ze houden hun verzorger in gaten om aan zijn/haar emotionele uitdrukking te zien of er gevaar dreigt of niet.

Kernprincipes van de fysieke werkelijkheid
Volwassenen hebben een aantal kernprincipes in de aard van de fysieke werkelijkheid. Vb. objecten blijven bestaan ook al worden ze aan het oog onttrokken. Empiristen stellen dat principes verworven worden door het gebruik van onze zintuigen en onze algemene leervermogens. Nativisten stellen dat de principes in ieder geval deels zijn aangeboren.
Baby's lijken langer naar een onverwachte gebeurtenis te kijken dan naar verwachte gebeurtenis.
Schending-van-de-verwachting experimenten (violation of expectation experiments): baby's worden eerst gehabitueerd op een fysiek evenement. Dan krijgen de baby's twee variaties te zien op de originele gebeurtenis: een mogelijke gebeurtenis en een onmogelijke gebeurtenis. De mogelijke gebeurtenis verschilt meer van de originele gebeurtenis, ondanks dat kijken baby's langer naar de onmogelijke gebeurtenis. Dit toont aan dat baby's (3.5 maand +)  al enig bergip hebben van de kernprincipes.

Piaget en objectpermanentie
Objectpermanentie is het principe dat een object blijft bestaan zelfs als het buiten het zicht is. Piaget is de grondlegger van onderzoek naar objectpermanentie. Piaget concludeerde dat het besef van objectpermanentie in 6-9 maanden baby nog fragiel is. Tegen de tijd dat een baby 10-12 maanden is, is het in staat om veranderde verstop plaats problemen op te lossen. Sommige onderzoekers stellen dat 1 van de redenen dat baby's meer moeite hebben met de problemen van Piaget is dat de problemen van Piaget gecontroleerde bewegingen vereisen en dat baby\s hier nog niet goed toe in staat zijn.
Piaget onderzoek naar de primitieve vermogens van een kind zich ontwikkelen tot de volwassen vermogens leidt tot een theorie over cognitief ontwikkeling: assimilatie en accommodatie.
Bij assimilatie worden nieuwe ervaringen ingepast in een bestaande schema's. Hiervoor moeten bestaande schema's aangepast worden → accommodatie.
Operatie = omkeerbare actie (vb. je kunt licht aandoen en vervolgens weer uit doen). Operaties worden veelvuldig gebruikt door kinderen om de omgeving te onderzoeken → operatieschema's.
Vier typen schema's volgens Piaget:
1. De sensorimotorische fase schema's: basis vormen voor het handelen met aanwezige objecten. t/m 2e levensjaar.
2. Preoperationele fase schema's: Het kind is in staat verder te denken dan het hier en nu. Ze kunnen objecten symboliseren. 2e t/m 7e jaar.
3. Concreet operationele fase schema's: begrip van operaties die nog niet geïnternaliseerd zijn. 7e t/m 12e jaar.
4. Formeel operationele fase: Hierin ontwikkelt het kind schema's van operationele principes die in veel situaties opgaan. Adolescentie t/m volwassenheid.
De overgang tussen de verschillende fasen is geleidelijk en de leeftijd waarop kinderen bepaalde soorten schema's ontwikkelen kan nogal variëren. Wat wel vast staat is de volgorde van de fasen.\
Beperkingen van Piagets theorie:
- Onduidelijk over het proces van verandering, de theorie is hier niet voldoende expliciet en concreet over.
- De theorie overschat de leeftijdsverschillen in de manier van denken. Onderzoek stelt dat bij waarschijnlijk de vermogens van heel jonge kinderen onderschat en de vermogens van volwassenen overschat. Sommige mensen kunnen nooit volledig formeel operationeel denken.
- Onderschat de rol van de sociale omgeving

Vygotsky
Iemand die sterk de nadruk legt op de rol van de sociaal-culturele omgeving is Vygotsky. Volgens Vygotsky is cognitieve ontwikkeling voornamelijk het internaliseren van symbolen, ideeën en manieren van redeneren die bestaan in de cultuur waarin het kind opgroeit. Vygotsky stelt dat taal de fundering vormt voor de ontwikkeling van denken op hoger niveau. Kinderen leren woorden als communicatiemiddel en leren ze vervolgens te gebruiken als symbolen voor het denken: verbaal denken. De woorden van een taal leiden tot verbaal denken op een manier dat ze waarden en activiteiten van een cultuur reflecteren. Vygotsky ontdekte dat kinderen tussen de vier en zes jaar oud vaak hardop praten op een niet-communicatieve manier → overgangsfase in verbaal denken. Rond de leeft van 7 jaar verdwijnt het hardop praten en wordt de spraak geïnternaliseerd.
Vygotsky had de overtuiging dat kinderen leren om te denken als een functie van zgn tools van intellectuele aanpassing die hun cultuur aanschaft. Vb. nummers, alfabet, maar ook boeken, potloden, pc.
Het fundamentele idee van Vygotsky is dat ontwikkeling eerst plaats vindt op sociaal niveau en daarna pas op individuele niveau. De zone van proximale ontwikkeling is het verschil tussen wat een kind alleen kan doen en wat het kind kan doen samen met een competentere ander. Kritisch denken is dan ook voornamelijk het resultaat van de dialoog, een sociale samenwerkingskracht. Een consequentie hiervan is dat mensen die in verschillende culturen opgroeien, verschillende cognitieve vermogens ontwikkelen.

Informatieverwerkingsperspectief
Het informatieverwerkingsperspectief stelt dat de mind een set van samenwerkende onderdelen is. Elk van deze onderdelen kan veranderen naarmate het kind ouder wordt.
- Cognitieve ontwikkeling kan het gevolg zijn van veranderingen in het algemene operatiesysteem van de mind.
- We kunnen pas expliciete herinneringen uiten als we leren praten.
- Baby's van 10-12 maanden vertonen tekenen van semantisch geheugen.
20-24 maanden kinderen hebben episodisch herinneringen, maar dat is nog infrequent en fragmentarisch. Pas vanaf 3/4 jr wordt het episodische geheugen echt duidelijk. Rond 15 jr is de capaciteit van het werkgeheugen volgroeid. Verbeteringen in de executieve functies zijn toe te schrijven aan de ontwikkeling van prefrontale cortex.

Sociale wereld
Het is belangrijk dat kinderen ook leren over de sociale wereld. Kinderen besteden veel tijd aan het proberen om andere te begrijpen. Verdeling van mensen in groepen:
- Entiteiten die uit zichzelf begwegen
- Entiteiten die niet zelf bewegen
Theory of mind → de mogelijkheid om de eigen gedachten, gevoelens en gedragingen te begrijpen en de gedachten, gevoelens en gedraging van iemand anders. Theory of mind impliceert het hebben van een oorzaak-verklaring framework om de intentie van gedrag toe te kunnen wijzen en gedrag van iemand anders te voorspellen.
Valse overtuiging problemen → fout in de werkelijkheid, maar waar in de geesten van de mensen die het geloven. Valse overtuiging problemen kunnen meestal pas vanaf 4 jr worden opgelost. Kinderen die veel alsof spelletjes spelen met andere kinderen begrijpen valse overtuiging problemen vaak makkelijker. Alsof spelletjes stimuleren ook andere vormen van logisch redeneren.
Autisme is een aangeboren stoornis die in sommige gevallen genetisch van aard is en in andere gevallen het gevolg kan zijn van prenatale beschadiging aan de hersenen. De belangrijkste kenmerken van autisme zijn beperkingen in sociale interactie, ernstige beperkingen in het leren van taal, de neiging tot herhaaldelijke handelingen en een sterke interesse in een bepaald gebied. Onder de eerste tekenen van autisme vallen onder andere het falen in het langdurig houden van oogcontact, het niet kunnen begrijpen van emotionele gezichtsuitdrukkingen bij anderen, en het vermogen om iemand anders zijn of haar blik te kunnen volgen. Het taalprobleem lijkt secundair te zijn aan het gebrek van interesse in communicatie. Mensen met autisme presteren slecht op valse overtuiging tests. Een paar mensen, vooral degenen met mildere vorm van autisme, Asperger's Syndroom, kunnen wel goed presteren op school en werk. Maar zelfs zij hebben moeite om false beliefs en andere niet-letterlijke mentale toestanden te begrijpen.
Sommige wetenschappers geloven dat chimpansee geen theory of mind hebben, maar een zgn theory of behavior. Chimpansees slagen er immers niet in om false-beliefs tasks te vervullen.

Taal
De meeste ontwikkelingspsychologen stellen dat een deel van de taalmechanismen is aangeboren en dat de rest ontwikkelt in een omgeving met voldoende modellen en veel gelegenheid om te oefenen. Overeenkomst tussen talen: elk taal bestaat uit morfemen. Dit zijn de kleinste betekenisvolle eenheden van een taal. Morfemen zijn soms woorden, soms onderdelen van woorden.
Alle talen hebben ook een soortgelijke hiërarchische structuur. Op het hoogste niveau heb je zinnen. Die kun je opdelen in zinsneden (phrases). Die kun je opdelen in woorden/morfemen en die je weer opdelen in fonemen. Fonemen zijn elementaire klinker en medeklinker klanken. Grammatica zijn de regels die bepalen hoe we eenheden op een lager niveau ordenen om zo een hoger niveau te produceren.
- Syntax: hoe we woorden moeten ordenen zodat er zinsneden en zinnen geproduceerd worden.
- Fonologie zijn de regels die bepalen hoe fonemen, morfemen kunnen vormen.
- Morfologie zijn de regels die bepalen hoe morfemen gecombineerd kunnen worden om woorden te vormen.

Chromsky en taalverwervingsapparaat
De linguist Chromsky stelt dat grammaticaregels fundamentele eigenschappen zijn van de menselijke mind. Volgens Chromsky zijn grammaticaregels verbonden met een systeem van de mind dat betekenissen representeert. Elke sey grammaticaregels is gebaseerd op fundamentele regels: universele grammatica. Chromsky kwam met het concept taalwervingsapparaat (language aquisition device → LAD). Dit apparaat bevat een aangeboren basis voor universele grammatica en een serie aangeboren mechanismen die het kind in staat stellen de specifieke regels van hun eigen taal te leren.
Pidgintaal is een primitief communicatiesysteem dat ontstaat als mensen met verschillende moedertalen gelijktijdig een regio koloniseren. Een pidgintaal heeft meestal geen grammaticaregels en gebruikt woorden uit verschillende talen. Vanuit een pidgintaal ontstaat een creooltaal die wel een volledig set grammaticaregels heeft. Dit proces kan snel gaan en levert bewijs voor het bestaan van een LAD.
Het lijkt erop dat het LAD het effectiefst werkt in de eerste 10 jr van het leven. na het 10e levensjaar wordt het moeilijker om een taal te leren en bijna onmogelijk om dan de grammatica te leren. Behalve LAD heeft een kind ook een LASS (language acquisition support system) nodig. Dit systeem wordt gebonden door de sociale wereld. Volwassenen spelen hierbij vaak een belangrijke rol doordat zij tegen de kinderen pareten en zo woorden en grammatica leren.

Tweetaligheid
Over het algemeen des te vroeger een king blootgesteld is aan de 2e taal, des te groter de kans dat hij/zij bekwaamheid in deze taal zal krijgen. Bovendien des te meer de 2e taal op de moedertaal lijkt, des te makkelijker het is om deze tweede taal onder knie te krijgen.
- Gelijktijdig tweetaligen: vanaf geboorte blootgesteld aan 2 talen
- Sequentiële tweetaligen: verwerven 2e taal pas laten
Neuroimaging laat zien dat activatie van hersengebied bij 2e taal hetzelfde is als 1ste taal bij gelijktijdig tweetaligen. Het is anders bij sequentiële tweetaligen en ze kunnen ook 2de taal nooit goed als gelijktijdig tweetaligen.
Nadelen tweetaligheid:
- Vetraging in ontwikkeling van syntax
- Kleinere vocabulaire in elke taal i.v.m. kinderen die slechts 1 taal spreken
- Langzamer in het terughalen van individuele woorden vanuit het lange termijn geheugen
Voordelen tweetaligheid:
- Herkennen meer fonemen
- Meer gevoelig tegenover culturele waarden van sprekers in allebei de talen
- Vergrote executieve functies → switchen van taken en inhibitie

5. The Neural Control of Behavior

Neurons
Three categories of neurons:
1. Sensory neurons; carry information from sensory organs into the central nervous system.
2. Motor neurons; carry message out from the central nervous system to operate muscles and glands.
3. Interneurons exist entirely within the central nervous system and carry messages from one set of neurons to another. Interneurons collect, organize and integrate messages from various sources. They vastly outnumber the other two types.
The neurons parts:
1. Cell body; it contains the cell nucleus and other basic machinery common to all bodily cells.
2. Dendrites are thin, tube-like extensions that branch extensively and function to receive input for the neuron.
! In sensory neurons, dendrites extend from one end of the axon, rather than directly from he cell body.
3. The axon is another, thin tube-like extension from the cell body. Its function is to carry messages to other neurons, or in the case of motor neurons, to muscle cells. The axons of some neurons are surrounded by a casing called a myelin sheath. Myelin is a fatty substance produced by supportive brain cells called glial cells.

Action potentials
Neurons exert their influence on other neurons and muscle cells by firing off all-or-none impulses called action potentials. Action potentials are described as "all or none" because they either occur or don't occur; that is, they don't partially occur or occur in different sizes or gradations. A neuron can convey varying degrees of intensity in its message by varying its rate of producing action potentials.
Cell has a electrical charge across  the membrane of -70mV, due to difference in charge of intracellulair and extracellular fluid. The inside of the cell (intracellulair) has a negative charge: soluble protein molecules (A-) and K+ (more concentrated inside the cell than outside). The outside of the cell has a positive charge: Na+ and Cl- ions.
Resting potential (-70mV) = charge across the membrane of an inactive neuron.
The action potential is initiated by a change in the structure of the cell membrane: thousands of channels that permit sodium (Na+) ions to pass through open up → Na+ moves in to cell → + charge in cell = deploarization phase.
As soon as deplorization occurs the channels that permitted Na+ to pass through close, but channels that permit K+ to pass through remain open. K+ are pushed outside of the cell →reestablish the resting potential = repolarization phase.
To main the original balance of K+ and Na+ across the membrane, membrane contains sodium-potassium pump (Na/K pump), that continuously moves sodium out of cell and potassium into it.
The axon membrane is constructed in such a way that depolarization to some critical value causes the sodium channels to open, thereby triggering an action potential. This critical value is referred to as the cell's threshold.
The speed at which an action potential moves down an axon is affected by the axon's diameter. Large diameter axons present less resistance to the spread of the electric current and therefore conduct action potentials faster than thin ones. Another feature that speeds up the rate of conduction in many axons is the presence of a myelin sheath. Each action potential skips down the axon, from one node to next, faster than it could move as a continuous wave.
[Side note: When you poke your finger with a pin, you feel the pressure of the pin before you feel the pain, you feel the pressure of the pin before you feel the pain. That is partly because the sensory neurons for pressure are large and myelinated, while those for pain are thin and mostly unmyelinated]

Synaptic transmission
Synaptic transmission
Synapse = the junction between each axon terminal and the cell body or dendrite of the receiving neuron
When an action potential reaches an axon terminal, it causes the terminal to release packets of a chemical substance called neurotransmitters. At an excitatory synapse, the transmitter opens sodium (Na) channels in the postsynaptic membrane → depolarization → increase the rate of action potentials triggered. At an inhibitory synapse, the transmitter opens either Cl- or K+ channels → hyperpolarization → decrease the rate of action potentials triggered.

Methods of mapping the brain
The methods of mapping the brain fall into three general categories:
1. Observing behavioral deficits that occur when a part of the brain is destroyed or is temporarily inactivated
2. Observing behavioral effects of artificially stimulating specific parts of the brain
3. Recording changes in neural activity that occur in specific parts of the brain when a person or animal is engaged in a particular mental or behavioral task
- TMS: Magnetic pulses cause a temporary loss in those neurons ability to fire normally. Because magnetic field affects only that part of the brain lying immediately below the skull, TMS can be used for mapping cerebral cortex only.
- EEG
- PET: injecting radioactieve substance into blood and measuring the radioactivity that has been emitted by each portion of the brain.
- fMRI


2. Methods of Psychology

Fact = an objective statement, usually based on direct observation, that reasonable observers agree is true.
Theory = an idea, or conceptual model, that is designed to explain existing facts and make prediction about new facts that might be discovered.
Hypothesis = Any prediction about new facts that is made from a theory

Important lessons scientific research
1. The value of skepticism. The ideal scientist always tries to disprove theories, even those that are his or her own.
- Parsimony/ Occam's razor: when there are two or more explanations that are equally able to account for a phenomenon, the simplest explanation is usually preferred.
2. The value of careful observations under controlled conditions. To test hypotheses scientists control the conditions in which they make observations so as to rule out alternative explanations.
3. The problem of observer-expectancy effects. Science is carried out by people who come to their research with certain expectations. In psychology, the subjects may perceive the observer's expectations and behave accordingly.

Research strategies
1. Research designs: experiments, correlational studies, descriptive studies
2. Setting: field, lab
3. Data-collection: self-report, observation
Research designs
Experiments
An experiment is the most direct and conclusive approach to testing a hypothesis about a cause-effect relationship between two variables. The variable that is hypothesized to cause some effect on another variable is called the independent variable, and the variable that is hypothesized to be affected is called the dependent variable. An experiment can be defined as a procedure in which a researcher systematically manipulates one or more independent variables and looks for changes in one or more dependent variables while keeping all other variables constant.
- Within-subject experiments each subjects is tested in each of the different conditions of the independent variabele.
- Between-groups experiments, there is a separate group of subjects for each different condition of the independent variabele. Random assignment is regularly used in between-group experiments to ensure that the subjects are not assigned in a way that could bias the result.
Correlational studies
A correlational study can be defined as a study in which the researcher does not manipulate any variable, but observes or measures two or more already existing variables to find relationships between them. Correlational studies can identify relationships between variables, which allow us to make predictions about one variable based on knowledge of another; but such studies DO NOT tell us in any direct way whether change in one variable is the cause of change in another.
Descriptive studies
The aim of research is to describe the behavior of an individual or set of individuals without assessing relationships between different variables.
Setting
A laboratory study is any research study in which the subjects are brought to a specially designated area that has been set up to facilitate the researchers collection of data or control over environmental conditions. Field study is any research study conducted in a setting in which the researcher does not have control over the experiences that a subject has.
The lab allows the researchers to collect data under more uniform, controlled conditions than are possible in the field. However, the strangeness or artificiality of the lab may induce behaviors that obscure those the researcher wants to study.
Data-collection methods
Self report methods are procedures in which people are asked to rate or describe their own behavior or mental state in some way. One form of self-report is introspection, the personal observation of one's thoughts, perception and feeling.
Observational methods include all procedures by which researchers observe and record the behavior of interest rather than relying on subjects self-reports. In one subcategory, tests, the researchers deliberately presents problems, tasks or situations to which the subject responds.
- Naturalistic observation, the researcher avoids interfering with the subjects' behavior.
- Hawthorne effect: the alteration of behavior by the subjects of a study due to their awareness of being observed. One technique for minimizing the Hawthorne effect takes advantage of the phenomenon of habituation, a decline in response when a stimulus is repeatedly or continuously present.

Descriptive statistics
Descriptive statistics include all numerical methods for summarizing a set of data.
- Mean is simply the arithmetic average, determined by adding the scores and dividing the sum by the number of scores.
- The median is the center score.
- Variability refers to the degree to which the numbers in the set differ from one another and from their mean
- Standard deviation is a common measure of variability
When variables are measured numerically, the strength an direction of the relationship can be assessed by a statistic called the correlation coefficient. Correlation coefficient produces a result ranging from -1.00 to +1.00. The sign (+ or -) indicates the direction of correlation.  In a positive correlation, an increase in one variable coincides with a tendency for the other variable to increase; in a negative correlation, an increase in one variable coincides with a tendency for the other variable to decrease. A correlation close to zero means that the two variables are statistically unrelated.

Inferential statistics
Any set of data collected in a research study contain some degree of variability that van be attributed to chance. Inferential statistic help researchers decide how confident hey can be in judging that the results observed are not due to chance.
P or the level of significance: when two means are being compared, p is the probability that a difference as great as or greater than that observed would occur by chance  (in larger population) if there were no difference between the two means. In other word, in the case of comparing two means in an experiment, p is the probability that a difference observed would occur if the independent variable had no real effect on the scores. By convention results are labeled as statistically significant if the value of p is less than 0.05 (5%).
Components of statistical significance:
1. The size of observed effect. Other things being equal, a large effect is more likely yo be significant than a small one.
2. The number of individual subjects or observations in the study. Other things being equal, results are more likely to be significant the more subjects or observations included in research study.
3. The variability of the data within each group.
! Don't confuse statistical significance with practical significance.

Bias
Bias = nonrandom effect caused by extraneous factors, must be avoided.
Three types of bias: sampling bias, measurement bias, expectancy bias.
In terms of biased samples, one problem that psychological scientists run into is that human subjects who are easily available to be studies maybe not be representatieve of the greater population.
Reliability and validity of measurements
Reliability has to do with measurement error, not bias. A measure is reliable to the degree that it yields similar results each time it is used with a particular subject under a particular set of conditions, sometimes referred to as replicability.
A second type of a reliability os interobserver reliability: the same behavior seen by one observer is also seen by a second observer. This requires that the behavior in question be carefully defined ahead of time. This is done by generating an operational definition, specifying exactly what constitutes an example of your dependent measure.
Validity is a critical issue than reliability because of lack of validity can be a source of bias. A measurement procedure is valid if it measures or predicts what it is intended to measure or predict.
Face validity: the test measures what it's supposed to measure.
Criterion validity: measures how well one measure predicts an outcome for another measure.

1. Foundation for the study of psychology

Psychology is the science of behavior and the mind. Behavior refers to the observable actions of a person or an animal. Mind refers to an individuals sensations and perception, memories, thoughts, dreams, motives, emotions and other subjective experiences. Science refers to all attempts to answer questions through the systematic collection and logical analysis of objectively observable data.

Fundamental ideas of psychology
The founding of psychology: 1879, Wilhelm Wundt.
3 fundamental ideas of psychology:
1. Behavior and mental experiences have physical causes that can be studied scientifically
2. The way people behave, think and feel is modified over time by their experiences in their environment.
3. The body machinery, which produces behavior and mental experiences is a product of a evolution by natural selection.

Descartes dualism
Dualism: the church maintained that each human being consists of two distinct but intimately conjoined entities, a material body and an immaterial soul. The body can be studies but soul cant be studied. Descartes dualism shifted the focus from the soul to the body by studying reflex. Descartes believed that even quite complex behaviors can occur through purely mechanical means, without involvement of the soul. 
Restrictions of Descartes dualism:
- As a philosophy, it stumbles on the question of how a non material entity (the soul) can have a material effect (movement of the body) or how the body can follow natural law and yet be moved by a soul that does nog.
- As a foundation for psychology, the theory sets limits, on what can and cannot be understood scientifically. The whole realm of through, and all behaviors that are guided by thought, are out of bounds for scientific analysis if they are the products of a willful soul.

Hobbes materialism
In Hobbes's philosophy materialism, all human behavior can in theory be understood in terms of physical processes in the body, specially the brain. Conscious thought, he maintained, is purely a product of the brain's machinery and therefore subject to natural law.
- Reflexology: All human behavior occurs through reflexes - that even so-called voluntary actions are actually complex reflexes involving higher parts of the brain.
- Localization of function: the idea that specific parts of the brain serve specific functions in the production of mental

Empiricism vs Nativism
Empiricism refers to the idea that human knowledge and thought derive ultimately from sensory experience (vision, hearing, touch etc.). Locke viwed a child's mind as a tabula rasa (blank slate, and believed that experience serves as the chalk that writes on and fills the slate.
- Association by contiguity: If a person experiences two environmental events at the same time or one right after the other, those two events will become associated in the persons mind such that the thought of one event will, in the future, tend to elicit the thought of the other.
The opposite of empiricism is nativism, the view that the most basic forms of human knowledge and the basic operating characteristics of the mind, which provide the foundation for human nature, are native to the human mind - that is, are inborn and do not have to be acquired from experience.
- Kants knowledge: Immanuel Kant distinguished between a priori knowledge (built into a human brain) and a posteriori knowledge (gained from experience in the environment. Withouth the first, argued the nativists, a person could not acquire the second.

Biological and experience/knowledge cluster.
Biological cluster
- Neural explanations (behavioral neuroscience): All mental experiences and behavioral acts are products of the nervous system.
- Physiological explanation (bio psychology); study the ways hormones and drugs act on the brain to alter behaviors and experience.
- Genetic explanation
- Evolutionary explanation: All the basic biological machinery underlying behavior and mental experience is a product of a evolution by natural selection. One way to explain universal human characteristics, therefore, is to explain how or hy they came about in the course of evolution.
Experience/knowledge cluster
- Learning explanations: All forms of human behavior and mental experience are modifiable by learning, can be influenced by prior experience.
- Cognitive explanations: The term cognition refers to information in the mind. Such information includes thoughts, beliefs and all forms of memories. Some information is conscious and other unconscious.
[Difference between learning and cognitive explanation: Learning psychologists typically attempt to relate learning experiences directly to behavioral changes and relatively unconcerned with the mental processes that mediate such relationship. To a learning psychologist, experience leads to change in behaviors. To cognitive psychologist, experience lead to change in knowledge of beliefs and that change leads to change in behavior]
- Social explanation: Our behavior is strongly influenced by our perceptions of others. We use others as models of how to behave, and we often strive, consciously or unconsciously, to behave in ways that will lead others to approve of us.
- Cultural explanation: we can predict some aspects of a person's behavior by knowing about the culture in which that person grew up.
[Cultural and social psychology are very closely related but differ in emphasis. While social psychologists emphasize the immediate social influences that act on individuals, cultural psychologists strive to characterize entire cultures in terms of the typical ways that people within them feel, think and act]
- Developmental explanation: knowing a persons age enables us to predict some aspects of that person's behavior.

H8. Zicht

Anatomie van het oog
Het oog bestaan o.a. uit hoornvlies, iris, lens, retina (netvlies) en fovea (macula). De retina is een membraan dat binnenin tegen de achterkant van de oogbol ligt. De retina bevat motorreceptoren. Het hoornvlies zorgt voor de bolling van het oog. Meteen achter het hoornvlies lift de iris (het gekleurde gedeelte van je oog) Door de iris kan geen licht doordringen, dat kan alleen door de pupil, door de zwarte gedeelte van je oog.  Spiervezels in de iris kunnen de pupil vergroten of verkleinen om zo de hoeveelheid licht te controleren die het oog binnenkomt. Achter iris ligt de lens, de lens is flexibel en kan op deze manier focussen.
Anatomie van het oog
Lichtstralen komen van objecten en komen via het hoornvlies en de lens op de retina terecht. Het beeld van een object wordt ondersteboven op de retina geprojecteerd. De hersenen zijn op zo een manier geordend dat we het beeld toch op de juiste manier ontvangen. Transductie is de taak van de fotoreceptoren. Deze cellen vormen een dun laagje van de retina. Er zijn twee soorten fotoreceptoren:
- Kegeltjes, die verantwoordelijk zijn voor het zien van kleuren
- Staafjes, die ervoor zorgen dat we in het donker en in de schemering kunnen zien.
Kegeltjes liggen voornamelijk in de fovea. Dit kleine gebied is gespecialiseerd in het onderscheiden van kleine details. Fovea ligt in het midden van de retina. Staafjes komen juist niet voor in de fovea.
In elk oog hebben we ongeveer 6 mil kegeltjes en 120 mil staafjes. Elke fotoreceptor bevat een fotochemicalie, een chemische stofje dat op licht reageert. De fotochemicalie van een staafje heet rhodopsin. Er zijn 3 soorten kegeltjes met elk hun eigen fotochemicalie. De elektrische verandering in de fotoreceptor cellen leidt tot actiepotentialen in de optische zenuw. Deze bundel neuronen loopt van het oog naar de hersenen. De plek op de retina waar deze neuronen samenkomen om de optische zenuw te vormen heet de blinde vlek, omdat er zich hier geen receptoren bevinden.

Kegelvisie en staafvisie
Kegel visie is gespecialiseerd in het zien van details en kleuren. Dit wordt ook wel fotopische visie of fel licht-visie genoemd. Staafvisie is gespecialiseerd in gevoeligheid voor licht en wordt ook wel scotopische visie of flauw licht-visie genoemd. Staafvisie zorgt ervoor dat je de contouren van objecten kunt zien in het donker. Aanpassing aan het donker is de geleidelijke toename van gevoeligheid voor zicht in het donker. Aanpassing aan licht is de geleidelijke aanpassing van je ogen aan fel licht. Een deel van deze aanpassing komt van het groter of kleiner worden van de pupil.

Kleur
Kleuren hangen af van de golflengte van het licht. Licht is een elektromagnetische energie. Licht kun je zien als lichtdeeltjes en als lichtgolven. De lichtdeeltjes noemen we ook wel fotonen, die samen lichtgolven vormen. Lichtgolven reizen met een constante snelheid: de snelheid van het licht. De afstand tussen het begin van de eerste puls fotonen en de volgende bepaald de golflengte. We kunnen alleen golflengte zien tussen de 400 en de 700 nanometer. Hierdoor kunnen we geen ultraviolet of infraroodlicht zien. Verschillende golflengtes licht nemen we waar als verschillende kleuren. Van kort naar lang zien we blauw, groen, geel en rood en alle tussenliggende kleuren. Die kleuren kunnen we zien omdat de objecten pigmenten bevatten, chemische substanties die bepaalde golflengtes absorberen zodat deze niet meer gereflecteerd kunnen worden.
Het mengen van pigmenten heet aftrekkend kleuren mengen (subtractive color mixing). Opstellend kleuren mengen (additive color mixing)  is wanneer gekleurde lichten in plaats van pigmenten worden gemend. Optellend kleuren mengen volgt twee wetten.
- De drieprimairewet stelt dat drie verschillende golflengtes van licht gebruikt kunnen worden om elke mogelijke kleur te creëren.  Dar gaat alleen als er 1 golf van lange lengte, 1 van middenlengte en 1 van korte lengte wordt gekozen.
- De wet van aanvulling (law of complementarity) stelt dat paren van golflengten als ze opgeteld worden, wit lijken.

Theorieen over het zien van kleuren
Er zijn twee klassieke theorieen van kleuren zien. De trichochromatische theorie stelt dat we kleuren zien door activiteit van drie soorten receptoren, elk gevoelig voor een andere range van golflengtes. Deze theorie is ontwikkeld door Young en Von Helmholtz. Er bestaan inderdaad drie soorten kegeltjes met elk hun eigen fotochemicalie. De kegeltjes zijn gevoelig voor een bepaald range van golflengtes. De drie soorten kegeltjes heten blauw, groen en rood naar de kleur lengtes de kegeltjes activeren. Sommige mensen zijn dichromaat (kleurenblindheid). Deze mensen hebben maar twee soorten kegel fotochemicalien.
Oponente procestheorie van Hering is bedoeld om de wet van aanvulling te verklaren. Hering was gefascineerd door de observatie dat aanvullende kleuren elkaar lijken op te slokken. Hij stelt dat aanvullend golflengtes t.o.g. effecten hebben. Hij stelt vervolgens dat neuronen geprikkeld kunnen worden door golflengtes van het ene deel van het spectrum en geinhibeerd worden door golflengtes van het andere deel van het spectrum. Er is een geel-blauw spectrum en een rood-groen spectrum. Een derde set neuronen medieert het vermogen om fel licht van flauw licht te onderscheiden. Deze neuronen reageren op licht van alle golflengtes. Deze theorie verklaart ook de aanvulling van een nabeeld.

Ontwikkeling van het visuele systeem
 Niemand weet wat nieuwgeboren kinderen precies zien, maar we weten wel hoe zij zien. Zo weten we dat de ogen van nieuwgeboren nog niet kunnen accommoderen (niet focussen). Tevens zijn convergentie (waarbij allebei de ogen naar hetzelfde voorwerp kijken) en coördinatie (waarbij allebei de ogen een bewegende stimulus volgen op een gecoördineerde manier) nog niet goed ontwikkeld is. Zelfs wanneer een pasgeboren naar stilstaande stimuli kijkt op de juiste afstand is de visuele activiteit slecht.
De visuele vaardigheden van baby's verbeteren substantieel in de 1ste maanden van het leven. Hieruit kunnen we echter concluderen dat ervaring een noodzakelijke factor is in de vaardigheid om te zien. Greenough en andere stelden dat het zenuwstelsel van dieren voorbereid is door natuurlijke selectie om bepaalde typen stimulaties te verwachten. Zijn beschreven de processen waarbij synapsen gevormd en behouden worden wanneer een organisme specifiek-typische ervaringen heeft ervaring-verwachting processen. Echter, wanneer een specifiek-typische omgeving niet aanwezig is kan het dier geen normale visie ontwikkelen.

Objectherkenning
Een object heeft meerdere stimulus kenmerken. De optische zenuw loopt naar de thalamus en vormt hier synapsen met andere neuronen die output naar het primaire visuele gebied vervoeren. Hubel en Wiesel deden onderzoek naar het identificeren van stimuluskenmerken en vonden dat er neuronen zijn die op hoeken reageren en genen die op balken reageren. Elk deze neuronen reageert het best op een hoek of balk in een bepaalde oriëntatie. De neuronen zijn ook gevoelig voor kleur en beweging. Al deze neuronen noemen we kenmerkdetectoren.
Theorieën over objectherkenning
Treisman ontwikkelde de kenmerk-integratietheorie (feature integration). Zij stelt dat elke stimuli die we waarnemen bestaat uit een aantal primitieve sensorische kenmerken zoals kleur. Het perceptuele systeem moet al deze kenmerken integreren tot een geheel. Dit gaat via 2 stappen.
1. De kenmerkdetectie. Dit gebeurt onmiddellijk.
2. Parallelle verwerking wil zeggen dat ons visuele systeem alle primitieve kenmerken van alle objecten tegelijkertijd oppikt.
Bij illusoire conjuctie worden stimuli heel kort gepresenteerd en hierdoor halen mensen door elkaar welke primitieve kenmerken bij elkaar horen.
De gestaltepsychologie stelt dat we automatische hele, georganiseerde objecten en patronen waarnemen. De strijd kreet van de gestaltepsychologie is: het geheel is maar dan de der delen. Zij benadrukten dat we een object waarnemen als een geheel en niet als een verzameling van losse kenmerken. Het samenvoegen van de losse kenmerken gebeurt onbewust. Gestaltpsychologie stelt ook dat we automatisch het object van de achtergrond scheiden. Bij sommige figuren kun je achtergrond en object verwisselen: omkeerbare figuren. Alleen kun je nooit beide figuren tegelijkertijd zien. De gestaltpsychologie stelt dat het zenuwstelsel de natuurlijke aanleg heeft om te reageren op patronen in de stimuluswereld volgens de principes van groepering.
1. Het eerste principe is goede continuatie: bij kruisende lijnen groeperen we de lijnen zo dat de lijnen continu lijken met een minimale verandering van richting
2. Proximiteit is de tweede, dit wil zeggen dat we elementen die dichtbij elkaar liggen zien als onderdeel van hetzelfde object.
3. De derde is closure: we hebben de neiging om een vorm als volledig gesloten te zien, zelfs als de vorm niet helemaal gesloten is.
4. Goede vorm is de vierde en stelt dat het perceptuele systeem het liefst elegante percepties produceert, dus symmetrisch, simpele, regelmatige en onverstoorde figuren.
5 Nummer 5 is overeenkomsten: stimuluselementen die op elkaar lijken zien we als deel van hetzelfde object. Elementen die met dezelfde snelheid zich in dezelfde richting verplaatsen zien we als hetzelfde object.
Onbewuste inferentie betekent dat ons visuele systeem in enkele milliseconden sensorische informatie gebruikt om inferenties te maken over wat er daadwerkelijk aanwezig is. Dit kan soms problematisch zijn, zoals bij illusoire contouren. Hierbij zie je contouren van een figuur die er eigenlijk niet zijn. Dit komt omdat de hersenen proberen wijs te worden uit de visuele informatie.
De onbewuste inferentie theorie stelt dat het perceptuele systeem de eerste stimulusinformatie gebruikt om contour detectie processen te beïnvloeden om een contour te creëren waar geen contour is.
Volgens Purves en collega's, als de hersenen het idee hebben dat een deel van een figuur minder licht krijgt dat de rest, dan compenseren de hersenen hiervoor door een manier waarop alles in het onderbelichte gedeelte van een figuur lichter lijkt. De verbindingen tussen het primaire visuele gebied en hogere visuele gebieden zijn twee richting wegen. Top-down controle is controle die van hogerop on de hersenen komt en bottom-up controle is wanneer de controle van de sensorische input komt. Bij perceptie spelen beide vormen van controle een rol. Bij onbewuste inferentie is er sprake van top-down controle binnen de hersenen.
Biederman stelde de herkenning door componenten theorie van objectherkenning. Deze theorie stelt dat het visuele systeem eerst de basiscomponenten ordent om zo een object te kunnen herkennen. Deze elementaire drie dimensionale componenten noemt Biederman geonen. Biederman stelt dat ons visuele systeem in staat moet zijn om eerst de geonen te detecteren om ze vervolgens zo te ordenen dat we het object kunnen herkennen.
Objectherkenning is ook afhankelijk van de context van het object: je herkent een object sneller als het in zijn normale context voorkomt dan wanneer het in een abnormale context voorkomt. Veel objecten in onze omgeving bewegen en deze bewegingen gebruiken we om het object te herkennen.

De herenen en zicht
De primaire visuele cortex ligt achter in de occiptale kwab. Vanaf hier wordt output naar de rest van de occipitale kwab en delen van de temporale en parietale kwabben gestuurd.
Twee routes volgens Ungerleider en Mishkin
1. Waar-en-hoe route die vanaf het primaire visuele gebied naar de parietale kwab loopt. Deze route houdt zich bezig met waar een object zich bevindt en hoe iemand moet bewegen om met een object te handelen.
2. Wat-route loopt van het primaire visuele gebied naar het ondergedeelte van de temporale kwab en is nodig voor het identificeren van een object.
Visuele agnosie is het gevolg van schade aan de wat-route. Patiënten met deze aandoening kunnen wel zien, maar weten niet wat ze zien. Bij visuele vorm agnosie kunnen mensen bepaalde kenmerken wel identificeren, maar kunnen de vorm van het object niet identificeren. Visuele object agnosie  zorgt ervoor dat mensen de vorm van een object wel kunnen identificeren en beschrijven maar het object zelf niet herkennen. Deze vormen van visuele agnosie zijn het gevolg van een defect in de serie stappen die voor object herkenning nodig zijn.
Analyse van losse sensorische elementen → groeperen van elementen in globale vormen → integreren van vormen in geheel.
Schade aan de waar-en-hoe route leidt tot moeite hebben met het leiden van acties op basis van zicht.

Diepte en optische illusies
Volgens Von Helmholtz is het kunnen zien van diepte afhankelijk van onbewuste inferentie. Om goed diepte te kunnen zien hebben we beide ogen nodig. Oogconvergentie is dat je je ogen naar binnen draait als je kijkt naar een object vlakbij. Die doen je ogen om zich op het object te kunnen focussen. Oogconvergentie is een slechte aanwijzing voor diepte zien en al helemaal geen aanwijzing als het object iets verder weg is.
Bioculair verschil (binocular disparity), hierbij gaat het om de enigszins verschillende beelden die de ogen hebben. Hoe verder een object weg is, hoe kleiner het verschil tussen beelden van de beide ogen is. Uit onderzoek is gebleken dat een gebied lakbij het primaire visuele gebied betrokken is bij het zien van diepte. We noemen het zien van diepte door binoculair verschil stereopsis. Wheatstone is de bedenker hiervan, hij ontwierp ook de stereoscoop, een apparaat om een stimulus aan 1 van de ogen of aan beide tegelijk aan te bieden.
Diepte kan ook gezien worden door een oog. Motion parallax is het veranderende beeld van een object of een situaties als je je hoof opzij beweegt. Hoe groeter de afstand hoe kleiner de verandering.
Pictoriale aanwijzingen voor diepte zijn aanwijzingen die zowel bij plaatjes als in de 3D wereld werken:
- Lineair perspectief: parallelle lijnen lopen verder uiteen naarmate ze verder weg liggen
- Occlusie: objecten die dichterbij zijn worden meer uit het beeld weggesneden dan objecten die verder weg zijn
- Differentiele belichting van oppervlaktes: verschillende opppervlaktes reflecteren licht anders afhankelijk van hun positie t.o.v. de lichtbron.
- Relatieve beeldgrootte van bekende objecten: we zien objecten in perspectief omdat we weten hoe de onderlinge verhoudingen zijn
- Positief relatief an de horizon: objecten die dichter bij de horizon liggen worden waargenomen als verder weg dan objecten die verder van de horizon af liggen.
-Textuurgradient: een geleidelijke afname in de grootte en de tussenruimten van de textuurelementen duiden op diepte.
Grootte constantheid is het vermogen om een object als dezelfde grootte te zien zelfs als de grootte van het object in het beeld verandert omdat het object dichterbij komt of verder weg gaat. Twee bekende optische illusies zijn de Ponzo en de Muller-Lyer illusies. Beide illusies hebben hetzelfde principe: twee lijnen die even lang zijn, maar niet hetzelfde lijken door context.
Ponzo illusie en Muller-Lyer illusie
De diepte verwerkingstheorie van Gregory probeert deze illusies te verklaren en stelt dat de illusie het resultaat is van een vroege fase van perceptuele verwerking die beoordeelt dat de ene lijn verder weg is dan de andere door hun context. Dit geldt zelfs als het gaat om 2 dimensionale plaatjes.
De maanillusie houdt in dat de maan groter lijkt als hij aan de horizon staat dan als hij boven ons staat. Dit kan verklaard worden doordat ons visuele systeem niet gemaakt is om zulke afstanden te beoordelen. Hier door beoordelen we de afstand van de maan in relatie met bekende objecten en de meeste objecten die we aan die horizon zien zijn groter dan de objecten die verder van de horizon weg staan. Hierdoor zien we de maan als groter als hij aan de horizon staat.

Multi-sensorische integratie
Meestal zijn onze ervaringen multi-sensorisch, wij ervaren deze met meer dan 1 van onze zintuigen. Multi-sensorische integratie of multimodale integratie, verwijst naar de integratie van informatie van verschillende zintuigen door het zenuwstelsel.
We kunnen meerdere zintuigen gebruiken om meer informatie te verkrijgen. Echter soms is de informatie van 2 zintuigen verschillend en zijn deze zintuigen met elkaar in conflict. Wanneer geluid en zicht in conflict zijn is het vaak het zintuig zien wint. Dit wordt visuele dominantie genoemd. Vb hiervan is het McGurk effect.
Het Bouba-kiki effect is niet arbitraire overlap tussen geluiden en de visuele vorm van voorwerpen. Hierbij wordt door een overgrote meerderheid van de mensen een voorkeur gegeven voor de Bouba bij een voorwerp met ronde vormen en voor de naam kiki voor een voorwerp met puntige vormen. Dit zou te maken hebben de manier waarop onze lippen de woorden uitspreken.
1 op de 20 mensen heeft synesthesie (gedeelde perceptie) een conditie waarbij sensorische stimulatie van een modaliteit de sensatie in een verschillend modaliteit induceert. Zo kan iemand bijvoorbeeld kleuren zien bij het beluisteren van muziek of nummers en letters in specifieke kleuren zien. Niet gelijkend aan schizofrenie interfereert synesthesie niet met dagelijks functioneren en is het niet geclassificeerd als mentale stoornis. Synesthesie kan voorkomen in meerdere vormen. Er zijn momenteel 61 verschillende vormen van synesthesie en de meest voorkomende is grafeem-kleur. Stimuli die synesthesie conduceren worden inducers genoemd en de soorten synesthetische sensaties worden concurrents genoemd.
Hoe weet je of je een synestheet bent? Synethetische perceptie is (a) onvrijwillig en automatisch, (b) consistent (c) ruimtelijk uitgebreid (d) gedenkwaardig en (e) emotioneel. Synestheten rapporteren dat zijn al synesthesie hebben sinds hun kindertijd en synesthesie heeft waarschijnlijk een genetisch component.


H7. Zintuigen

Sensaties zijn de basisprocessen van de sensorische organen en het zenuwstelsel in reactie op stimuli in de omgeving en de elementaire psychologische ervaringen die daar uit voortvloeien. Perceptie is het ordenen van de sensorische informatie in de hersenen en het maken van betekenisvolle interpretaties van deze informatie.
Elk zintuig heeft eigen sensorische receptoren en neurale routes van en naar de hersenen. Sensorische receptoren zijn gespecialiseerde structuren die reageren op stimuli in de omgeving door neurale impulsen te starten. De cerebrale cortex bevat specifieke sensorische gebieden. Transductie is het proces waarbij een receptor cel een elektrische verandering produceert in reactie op fysieke stimulatie. Tijdens transductie kunnen geladen deeltjes door het celmembraan en veranderen zo de spanning van het membraan. Deze elektrische verandering heet het receptor potentiaal.
Sensorische codering is het proces waarbij informatie over de kwantiteit en de kwaliteit van een stimulus wordt behouden in het patroon van actiepotentialen die van de sensorische neuronen naar het CZS gestuurd worden.
Sensorische codering is het proces waarbij informatie over de kwaliteit en de kwaliteit van een stimulus wordt behouden in het patroon van actiepotentialen die van de sensorische neuronen naar het CZS gestuurd worden. De kwantiteit van de stimuluscodering wil zeggen dat sterkere stimuli grotere potentialen produceren. Kwaliteitscodering wil zeggen dat verschillende weefsels reageren op verschillende soorten energie. Het process van sensorische aanpassing (adaptatie) is de verandering in sensitiviteit wanneer een sensorische systeem een tijd lang wel of niet gestimuleerd is. Dit wordt meestal geremedieerd door de receptor cellen.

Psychofysica
Psychofysica bestudeert de relatie tussen fysieke karakteristieken van een stimulus en de sensorische ervaringen die ze produceren.
- De absolute drempelwaarde (threshold) is de zwak mogelijk waarneembare stimulus
- Verschildrempelwaarde is het minimale verschil in intensiteit tussen twee stimuli dat het individu kan onderscheiden. Ook wel niet-waarneembare verschil (just-noticeable difference) genoemd.
- Weberfractie: jnd = kM
- Gechners wet: S = c log M

Geur
Geurmoleculen komen via de lucht binnen in de neusholte. Daar worden de moleculen opgelost in het slijm dat het olfactory epithelium boven in de neusholte bedekt. Hier liggen de terminals van zo'n 6 miljoen olfactory sensorische neuronen. Een terminal heeft meerdere olfactory receptorgebieden die moleculen van verschillende geuren kunnen binden. Als een molecule aan een receptor bindt verandert het celmembraan om actiepotentialen te starten.
Verschillende neuronen zijn gevoelig voor  verschillende geuren. De axonen van olfactory sensorische neuronen lopen door de cribiforme plaat naar de olfactory bulb in de hersenen. Daar vormen ze synapsen met de neuronen in de glomeruli. Elke type olfactory sensorische neuron heeft een eigen glomerulus. Elke geur wordt gekenmerkt door een eigen activatiepatroon in de neuronen en glomeruli. Hoe meer activatie, hoe intenser de geur. Vanuit de glomeruli wordt informatie gestuurd naar met name het limbische systeem en de hypothalamus, maar ook naar delen v.d. cortex. De primaire olfactory cortex ligt onderin de temporale kwab, informatie gaat vanuit hier naar delen van de cortex. De primaire olfactory cortex ligt onderin de temporale kwab, informatie gaat vanuit hier naar het secundaire olfactory gebied in de orbitofrontale cortex.

Geuren van substanties die je in je mond hebt gaan via de neus pharynx naar de neusholte. Zo ervaar je iets als smaak terwijl het eigenlijk een geur is. Ook reukvermogen neemt af als we ouder worden. Dit kan erg gevaarlijk zijn omdat ouderen vaak geen schadelijke stoffen meer ruiken.
Het Major Histocompatibility Complex (MHC) zorgt onder andere voor verschillen in de lichaamsgeur. Muizen kiezen bij voorkeur partners van wie de lichaamsgeur veel verschilt van de eigen geur. Het complex bepaalt ook immuunreacties. Het vinden van een partner met een ander complex heeft als voordeel dat het zorgt voor genetische variatie van de nakomelingen. Het MHC bestaat ook bij mensen, maar het is niet duidelijk in hoeverre mensen hun partners kiezen op de geur.
Bovendien blijkt het zintuig 'ruiken' een rol te spelen in vermijding van incest. Een van de factoren die ervoor zorgen dat we een sterke aversie hebben tegen het hebben van seksueel contact met een familielid is het zintuig 'ruiken'. Mensen kunnen hun genetische familieleden op basis van de reuk identificeren en zij vinden de geur van familieleden meer aversief dan anderen.
De fermoon is een chemische substantie die bij soortgenoten van het andere geslacht een bepaalde fysiologische of gedragsreactie stimuleert. Feromonen spelen o.a. een rol bij het afbakenen van het terrrotorium en bij seksuele aantrekkingskracht.

Smaak
Zoogdieren hebben alleen smaakreceptoren in hun mond. Smaak is belangrijk voor het bepalen of iets wel of niet goed is om te eten. Smaakpapillen zijn ronde structuren die smaak receptorcellen bevatten. Het merendeel van de smaakpillen ligt op de tong. Hoe meer smaakpapillen iemand heeft, hoe gevoeliger iemand is voor smaken. Smaak moleculen lossen op in speeksel en komen op die manier terecht bij de smaak receptorcellen. Dit resulteert in actiepotentialen die van de smaakreceptorcellen naar de hersenen gaan. Tegenwoordig gaan we er van uit dat er 5 smaken zijn: zou, zoet, zuur, bitter en umami (aangenaam). Elke smaak heeft zijn eigen soort receptorcellen. Smaakneuronen zijn verbonden met het limbische systeem en met de cerebrale cortex. Het primaire smaakgebied in de cortex ligt onderin, achteraan in de frontale kwab en is zo opgebouwd dat er een set neuronen is voor elk van de vijf smaken. Het primaire smaakgebied staat ook nauw in verbinding met de orbitofrontale cortex.

Pijn
Pijn is een somatozintuig, dat wil zeggen dat de sensaties van vele plaatsen in het lichaam komen. Pijnreceptoren zitten overal in de huis en in veel soorten lichaamsweefsel. Bij de meeste zintuiglijke sensaties ervaar je de sensaties als komend van buitenaf, maar pijn ervaar ja als iets dat van je eigen lichaam komt. PIn is ook een emotie en een drang.
Het ervaren van pijn is evolutionair gezien erg belangrijk, het beschermt ons tegen gevaarlijke en soms zelfs levenbedreigende situaties, het is een waarschuwingssysteem. PIjn als emotie wordt door alle mensen op dezelfde manier uitgedrukt. Sensorische neuronen zijn de receptorcellen van pijn, maar ook voor gevoeligheid voor temperatuur en voor tast. Pijnneuronen zijn dunner dan andere neuronen en hebben vrije zenuweneinden. Er zijn twee soorten pijnneuronen:
1. C vezels: dun, geleiden langzaam en hebben geen myeline schede. Deze vezels reageren op alle stimuli die pijn kunnen produceren
2. A-delta vezels: iets dikker, hebben myeline laag en geleiden snel. Deze vezels reageren op druk of op extreme temperaturen.
A-delta vezels zorgen voor de eerste pijn: scherpe en precies gelokaliseerd, C vezels zorgen voor de tweede pijn, die langer aanhoudt en meer diffuus is.
Via het ruggenmerg of de hersenstam komen de neuronen uit op de interneuonen. Vanaf de interneuronen wordt ofwel een reflex gestart, of er wordt een impuls naar de thalamus gestuurd voor een bewuste ervaring van de pijn. Pijn heeft 3 componenten:
1. Een onmiddellijke primaire, emotionele en motivationele component die zich in de cingulate cortex binnen het limbische systeem en in de insular cortex in de frontaalkwab bevinden. Beschadiging van deze gebieden leidt tot asymbolia van pijn, patiënten voelen wel pijn maar ondernemen niks om pijn te voorkomen of verminderen.
2. Het cognitieve secundaire emotionele en motivationele component handelt met zorgen maken over pijn en over de betekenis van de pijn. Deze component bevindt zich in de prefrontale kwab. Schade hier zorgt ervoor dat mensen wel pijn ervaren, maar geen zorgen erover maken.
3. Sensorische component komt van de somatosensorische cortex. Dit gebied is cruciaal voor het herkennen, lokaliseren en beschrijven van de pijnsensatie. Fantoompijn is wanneer iemand pijn en sensaties ervaart in een lichaamsdeel dat er niet meer is.
Gate-controle-theorie van pijn, deze theorie stelt dat de ervaring van pijn afhangt van de mate waarin de input van pijn neuronen de poorten kan passeren om hogere pijncentra in de hersenen te bereiken. Bepaalde condities kunnen invloed hebben op de mate waarin de poorten opgesteld zijn. Als je ziek bent neemt de gevoeligheid voor pijn over het hele lichaam toe. Bij letsel aan een lichaamsdeel is dit deel gevoeliger voor pijn. Dit is vooral ook zo omdat het lichaam zichzelf op deze manier beschermt tegen verder letsel.
Het preaqueductual (PAG) gebied is een belangrijk zenuwcentrum voor inhibitie van pijn,. Neuronen van PAG gebied sturen hun axonen naar het lage gedeelte van de hersenstam en naar het ruggenmerg  om  pijninput te inhiberen. Morfine en andere opiated werken direct op het PAG gebied. Endorfine werkt ook op het PAG gebied. Stressgeinduceerde analgesie is de soms sterk verminderde gevoeligheid voor pijn in zeer stressvolle situaties. De afscheiding van endorfinen draagt hier aan bij. Soms kan pijn ook gereduceerd worden door geloof of hoop. Een bekende voorbeeld is het placebo-effect.

Gehoor
De amplitude van het geluid is de intensiteit van het geluid. het aantal decibel. De toonhoogte bepaalt de frequentie van geluidsgolven en wordt uitgedrukt in Herts.
Het buitenoor (kraakbeen en huid) is vooral bedoel om geluidsgolven te ontvangen en naar binnen te leiden. Het middenoor is met lucht gevulde holte, hier liggen de ossicles (hamer, stijgbeugel en aambeeld). Ossicles lopen van het trommelvlies naar het ovale raam en geven op deze manier vibraties door. Deze botjes vergroten ook de druk op het ovale raam. Het binnenoor bestaat uit de gekrulde cochlea, hier vindt de transductie plaats.

De cochlea (slakkenhuis) bevat een met vloeistof gevuld buitenkanaal dat begint bij het ovale raam en loop naar het ronde raam. Het binnenkanaal is ook gevuld met vloeistof en ligt tussen het inkomende en het uitgaande deel van het buitenkanaal. Het basilaire membraan vormt de vloer van het binnenkanaal. Hier liggen de haarcellen, de receptorcellen voor het gehoor.
Bij conductieve doofheid zijn de ossicles te stijf om vibraties door te geven. Dit kan verholpen worden met een normaal gehoorapparaat dat zelf de trillingen doorgeeft aan het ovale raam. Bij sensorineurale doofheid is er schade aan de cochlea. Het kan verholpen worden door een cochlear implantaat, dit apparaatje doet het werk wat normaal gedaan wordt door de haarcellen. Het werkt natuurlijk niet als de auditieve zenuw vernietigd is.
Asymmetrie in auditieve masking wil zeggen dat geluiden met een lage frequentie beter geluiden met een hoge frequentie maskeren dan andersom. Dit komt omdat geluiden met lage frequenties verder langs het basiliaire membraan reizen. Deze theorie wordt ook wel de reizende golf theorie van frequentie coding genoemd. Naarmate we ouder worden, worden we minder gevoelig voor hoge tonen omdat de haarcellen die hierbij betrokken zijn bij alle geluiden worden gebruikt en dus sneller slijten.

H6. Motivatie en emotie

Drift
Motivationele staat of drift (drive) verwijst naar een interne conditie die het individu naar een specifiek doel stuurt. Je motivationele staat kan veranderen in de loop der tijd. Verschillende soorten driften hebben verschillende doelen. Een incentive is een gewild object. Hoe sterker de drift, hoe aantrekkelijker een bepaald object kan worden (incentieve waarde)

Homeostase
Het concept homeostase komt van Walter B cannon. Dieren en in minder mate mensen, gedragen zich op een manier die ervoor zorgt dat ze de homeostase kunnen behouden: als het lichaam vocht nodig heeft, zoekt het dier drinken, als het lichaam zou nodig heeft, zoekt het dier zoutrijk voedsel enzovoort. Homeostase kan niet elke drift verklaren, zo kan het de drift naar seks niet verklaren.
De drift die helpt de homeostase in stand te houden noemen we regulatieve drift (honger). Niet-regulatieve drifts zoals seks, dienen andere doelen.
5 categorieën van driften:
1. Reproductieve drift: seks, drift voor de jongen te zorgen wanneer ze geboren zijn
2. Educatieve drift: spelen, verkennen
3. Regulatieve drift: honger, dorst
4. Sociale drift: vriendschap, acceptatie, goedkeuring
5. Veiligheidsdrift: angst, slaap, woede
Volgens de central-state theory of drives corresponderen verschillende soorten driften met neurale activiteit in verschillende neuronenverzamelingen in de hersenen. Een dergelijke verzameling neuronen waarin activiteit een drift constitueert, wordt een centraal driftensysteem genoemd. Hoewel de centrale driftensystemen voor verschillende soorten drang tenminste gedeeltelijk verschillend moeten zijn van elkaar, kunnen ze ook overlappende onderdelen hebben.

Beloningssysteem v.d. hersenen
De bundel v.d. mediale voor hersenen is onderdeel van het beloningssysteem v.d. hersenen. Neuronen die hiervoor belangrijk zijn liggen in de nucleus accumbens. Schade aan deze gebieden leidt tot verdwijnen van gemotiveerd gedrag. De meeste neuronen in deze gebieden scheidend dopamine af. Dopamine lijkt cruciaal te zijn voor het willen van iets, maar niet voor het leuk vinden van iets. De afwezigheid van dopamine doet dieren zich gedragen alsof zijn niet meer willen werken voor beloningen.  Dopamine is ook belangrijk voor het leren gebruiken van cues voor beloningen. Dit komt omdat dopamine LTP stimuleert in de verbindingen met de nucleus accumbens. Dopamine is alleen betrokken bij nieuw leren. Sommige neuronen in de nucleus accumbens scheiden endorfine af. Endorfine is het natuurlijk opiaat v.d. hersenen. Het heeft o.a. een pijnstillend werking, maar het is ook betrokken bij de ervaring van plezier.
Veel drugs werken op het beloningssysteem v.d. hersenen, door de effecten van dopamine en/of endorfine te stimuleren of na te bootsen. De neuronen die normaal geactiveerd worden bij nieuw leren, worden elke keer dat de drugs gebruikt worden, geactiveerd. Een soort super leren is hiervan het gevolg. Dit zorgt voor een sterk verlangen naar de drug en voor verslaving. Door de verslaving blijft de persoon de drug willen, zelfs als het euforische effect afneemt. Gokverslaafden houden de drang tot gokken zelfs als ze financieel volledig geruïneerd zijn. Gokspelletjes activeren de nucleus accumbens en andere onderdelen van het beloningssysteem van de hersenen. Elke keer als de speler wint, wordt er dopamine afgescheiden. Dit is waarom gokkers blijven spelen.

Eetlust
Honger en het gevoel vol te zijn, zijn soorten drang die ervoor zorgen dat het lichaam de juiste voedselstoffen binnen krijgt in de juiste hoeveelheid. Het menselijke honger controlesysteem maakt gebruikt van feedback controle. Genen spelen een grote rol bij wie er wel en geen overgewicht ontwikkelt binnen westerse culturen.
Het centrum van het honger controlesysteem ligt in de arcuate nucleus (onder in de hypothalamus) Hier liggen twee soorten neuronen: eetlust stimulerende neuronen en eetlust onderdrukkende neuronen, beide soorten neuronen gebruiken langzame transmitters. De eetlust stimulerende neuronen scheiden o.a. neuropeptide Y af. De lichamelijke veranderingen na het eten van een grote maaltijd zorgen er direct of indirect voor dat honger onderdrukkende neuronen geactiveerd worden. Peptide YY is een eetlust onderdrukkende hormoon dat geproduceerd wordt in de dikke darm. Uit onderzoek blijkt dat het basisniveau van PYY hoger is bij slanke mensen dan bij mensen met overgewicht. Het zou dus best kunnen dat onvoldoende PYY productie bijdraagt aan overgewicht. Het lichaam moet ook de opslag van vet in de gaten houden. Meer vet opslaan dan op dat moment nodig is, is goed omdat in een tijd van voedselschaarste dit reserve vet verbrand kan worden. Te veel vet is niet goed, want dat bemoeilijkt de beweging en zet het lichaam onder grote stress.
Vetcellen produceren het hormoon leptine. Dit doen ze proportioneel met de hoeveelheid vet in de cellen: hoe meer vet in de cel, hoe meer leptine geproduceerd wordt. Leptine werkt op de arcuate nucleus en onderdrukt de eetlust. Als een individu niet (genoeg) leptine produceert, krijgt het individu overgewicht. Leptine-injecties werkt alleen om menen af te laten vallen als ze een leptine tekort hebben. Bij veel mensen met overgewicht zijn de hersenen minder gevoelig, of zelfs ongevoelig voor leptine, daarom hebben ze constant honger.
Hormoon leptine
Eetlust wordt ook opgewekt door sensorische stimuli in de omgeving. Sensorisch-specifieke verzadiging houdt in dat wanneer een individu zich volgegeten heeft met 1 soort voedsel, dit individu een hernieuwde eetlust krijgt als hem ander voedsel, met een andere smaak, wordt voortgezet. Het komt er op neer dat je meer eet als je meerdere soorten voedsel tot je beschikking heb.

Seksdrang
Sekshormonen beïnvloeden de seksdrang. Differentiërende effecten vinden plaats voor of direct na de geboorte zorgen ervoor dat de hersenen zich in mannelijke of in vrouwelijke richting ontwikkelen. Activerende effecten beginnen rond de puberteit en werken op de hersenen om de seksdrang te activeren. Bij mannen wordt er vanaf de puberteit meer testosteron afgescheiden, bij vrouwen wordt er meer oestrogeen afgescheiden. Deze hormonen zorgen voor de lichamelijke veranderingen die in de puberteit beginnen. Sekshormonen worden geproduceerd in de adrenal glands. Het voornaamste hormoon dat daar wordt geproduceerd bij mensen is DHEA (dehydroepiandrosteron). Vrouwen produceren meet DHEA dan mannen. De productie van DHEA begint rond het 6e jaar en neemt toe tot halverwege de tienerjaren en stabiliseert zich dan op het volwassen niveau.
Gray maakt onderscheid tussen arousability en proceptivity:
- Arousability verwijst naar het vermogen om seksueel opgewonden te raken in reactie op de juiste stimuli.
- Proceptivity verwijst naar iemands motivatie om seksuele activiteiten op te zoeken en hier aan te beginnen, zelfs wanneer seksueel opwindende stimuli niet op dat moment aanwezig zijn.
Seksuele oriëntatie gevat ten minste drie componenten:
- Seksuele/romantische aantrekkingskracht: tot welke sekse men zich aangetrokken voelt.
- Seksueel gedrag: met welke sekse men vrijwillig seksuele activiteiten onderneemt.
- Seksuele identiteit: hoe mensen zichzelf beschrijven in termen als hetero, homo, lesbisch of bi.
Het freternale geboortevolgorde-effect is het principe dat hoe meer oudere broers een man heeft, hoe groter de kans dat hij homoseksueel is. Dit effect is behoorlijk sterk en zou komen doordat het vrouwenlichaam een immuunreactie vertoont op de androgenen die de hersenen v.d. foetus mannelijk maken.

Verliefdheid
Fisher stelde dat bij verliefd worden drie primaire systemen belangrijk zijn:
1. Lust wordt bij zowel mannen als vrouwen gedreven door androgene hormonen zoals testosteron
2. Aantrekkingskracht, gekenmerkt door sterke emoties, is geassocieerd met een toename van de neurotransmitter dopamine en noradrenaline. Hierdoor blijft iemand gefocust op degene waarop hij of zij verlief is waardoor hij of zij veel van deze persoon kan onthouden.
3. Hechting en ermee geassocieerde gevoelens zoals veiligheid, angst om van elkaar gescheiden te worden enzovoort zijn veroorzaakt door de hormonen vasopressine en oxytocine.

Emotie
Ons hele leven is doordrenkt met emotie. Emotie is een subjectief gevoel dat gericht is op een bepaald object, het gevoel wordt ook wel affect genoemd. Dit gevoel heeft twee dimensies: plezierig - onplezierig en activatie - deactivatie. Een stemming is een emotioneel gevoel dat niet aan een object gekoppeld is. Een stemming houdt meestal langer aan dan een emotie: het kan uren, maar zelfs dagen of weken aanhouden.
Plutchik stelde een model voor van 4 paar tegenovergestelde emoties: acceptatie tegenover walging, verassing vs verwachting, vreugde vs verdriet, angst vs woede. Door deze emoties te menen kunnen alle bestaande emoties bestaan.
6 basisemoties volgens Darwin: verassing, woede, verdriet, walging, angst en vreugde.
Emoties in hersenen
De amygdala is de hersenstructuur die snel en onbewust de significantie van een stimulus beoordeeld en die bijbehorende lichamelijke reacties in gang kan zetten. De amygdala is onderdeel van het limbische systeem en functioneert als een soort waarschuwingssysteem. De schade aan de amygdala leidt tot een verlies in angst en woede, de amygdala is meer betrokken bij negatieve emoties dan bij positieve. Er zijn twee routes van de ogen naar de amygdala:
- De snelle, onnauwkeurige route (subcorticale route) analyseert informatie al voor deze de sensorische gebieden in de cortex verwerkt is.
- Corticale route, werkt wat langzamer en gedetailleerder dan de subcorticale route.
De prefrontale cortex is belangrijk voor de bewuste ervaring van emoties en voor het vermogen om op een weloverwogen manier te kunnen reageren op emoties. De prefrontale cortex is nauw verbonden met d amygdala en de somatosensorische cortex. De rechter prefrontale cortex lijkt meer betrokken bij negatieve emoties, de linker bij positieve.

H5. Neurale controle van het gedrag

Neuronen
Zenuwstelsel
Het centrale zenuwstelsel (CZS) bestaat uit het ruggenmerg en de hersenen. De zenuwen vormen het perifere ZS. Zenuwen zijn de verbindingen tussen zintuigen, spieren en dergelijk en het CZS.
Axonen zijn dunne buisvormige structuren die informatie vervoeren naar andere cellen. Sommige van deze axonen zijn erg lang en worden omringd door een myelineschede. De axonterminal is het einde van een tak van het axon, de meeste axonen hebben meerdere takken. Dendrieten ontvangen het input voor het neuron. In veel neuronen ontspringen dendrieten direct aan het cellichaam en vormen boomachtige structuren met vele takken. Alle bij sensorische neuronen komen de dendrieten uit de axonen.
De meest voorkomende soort neuron is het interneuron (schakelcellen). Deze komt voor binnen het CZS. Interneuronen vervoeren en ordenen onderling de informatie die vanuit verschillende bronnen binnenkomt. Sensorische neuronen vervoeren informatie van de zintuigen naar het CZS. Motorneuronen vervoeren informatie van het CZS naar de spieren en klieren.

Actiepotentialen
De intracellulaire vloeistof van een neuron bevat vooral - gelaten proteine moleculen (A-) en kalium (K+). De extracellulaire vloeistof bevat vooral natrium en chloride ionen (Na+, Cl-), positief geladen.  De verdeling heeft als volgt dat neuronen een negatieve binnenkant en een positieve buitenkant heeft wat resulteert in een potentiaal verschil. Bij activatie van een neuron gaan - geladen ionen via de poriën naar buiten en positief geladen ionen naar binnen. Het membraanpotentiaal wordt door twee mechanismen gehandhaafd.
1. het feit dat de doorlaatbaarheid (permeabiliteit) van de celmembraan voor de verschillende ionen niet gelijk is 
2. Er is sprake van een emzym pomp (Natrium/kalium pomp, gebruikt ATP ofwel energie) in de celmembraan die ervoor zorgt dat de Na/K-verhouding constant blijft. 
De Na kanalen gaan open tijdens een actiepotentiaal. Door de hogere concentratie van natrium buiten de cel en door de elektrische kracht van de + buitenkant wordt Na de cel binnen geduwd. Hierdoor ontstaat er een gelijke elektrische spanning binnen en buiten het membraan. Dit heet de depolarisatie-fase. Zodra dit gebruer sluiten de natrium kanalen zich, maar blijven de K kanalen open. Door de hogere concentratie van K+ in de cel en door de elektrische kracht van de tijdelijk positieve binnenkant wordt de K+  naar buiten de cel geduwd = repolarisatie-fase. 
Actiepotentiaal
Synaptische communicatie
De synaptische spleet is de spleet tussen een axonterminal en de cellichaam of de dendriet van het ontvangende neuron. Als een actiepotentiaal de axonterminal bereikt geeft de terminal neurotransmitters af op de het ontvangende neuron. 
Excitatotoire synapsen: 
- Opent de transmitter Na+ kanalen
- Glutamaat als transmitter
- veroorzaken een kleine depolarisatie
Inhibitoire synapsen:
- Open de transmitter K+ kanalen
- GABA als transmitter
- veroorzaakt een kleine hyperpolarisatie
De snelheid van actiepotentialen worden bepaald door de sterkte van de hyperpolarisatie (minder potentialen) en de depolarisatie (meer potentialen)
De biochemische gebeurtenissen die door langzame synapsen veroorzaakt worden hebben tijd nodig om zich te ontwikkelen en kunnen langdurige effecten hebben. Neuromodulatoren zijn transmitters dir de cel voor lange tijd kunnen veranderen. Langzame transmitters zijn verantwoordelijk voor emoties, arosal, slaap enz. Er zijn meerdere soorten langzame transmitters. bijv neuropeptides en biogene aminen.

Hiërarchie van de zenuwstelsel
Er zijn twee aparte, maar samenwerkende hiërarchieën: de motorische controle hiërarchie (controle van beweging), sensorische perceptuele hiërarchie (informatieverwerking). De verwerking van motor is voornamelijk to-to-bottom, en sensorisch met name van bottom-to-top.
Het perifere ZS bestaat uit twee soorten zenuwen: craniale zenuwen, die direct vanuit de hersenen projecteren en spinal zenuwen die vanuit het ruggenmerg projecteren. Zenuwen komen in paren voor, we hebben 12 paar craniale zenuwen en 31 paar spinal zenuwen. Drie paar craniale zenuwene richten zich alleen op sensorische neuronen, 5 paar alleen op motor neuronen, de rest v.d. craniale en ruggenmerg zenuwen richten zich op allebei.
Motor neuronen sturen twee groepen structuren aan:
- Skeletspieren, spieren die aan de botten vastzitten en observeerbare bewegingen produceren
- De inwendige spieren en klieren (autonoom)
Het autonomone gedeelte heeft twee divisies: de sympathische en de parasympathische divisie. De sympathische divisie reageert op stressvolle situaties en bereidt het lichaam voor om te vluchten of te vechten door energiemoleculren af te scheiden. Voorbeelden hiervan zijn een toename in de hartslag en de bloeddruk, het sturen van extra bloed naar de skeletspieren en het onderdrukken van de voedselvertering. De parasympathische divisie heeft functies als regeneratie, het bevorderen van de groei en het behouden van energie.
Sommige reflexen worden alleen door het ruggenmerg uitgevoerd, vb. flex-reflex. Flex-reflex is bedoeld om ledematen te beschermen tegen beschadiging.


Hersenen anatomie

Hersenen
De hersenstam ligt het dichtst bij het ruggenmerg en is een soort verdikking van het ruggenmerg. De hersenstam bestaat uit: medulla, pons en midden hersenen. Medulla en de pons zijn verantwoordelijk voor de posturale reflex (balans) en de vitale reflexen (het regulieren van ademhaling en dergelijke). De midden hersenen zijn verantwoordelijk voor veel soort-specifieke bewegingspatronen.
Een hersenstamdier (dier waarbij het CZS is doorgesneden boven de hersenstam) vertoont normale, instinctieve gedragingen, maar alleen als reactie op onmiddellijke stimuli. Boven de hersenstam ligt de thalamus, die verschillende hersengebieden met elkaar verbindt. Veel van de zintuigelijke prikkelingen die via de hersenstam komen, eindigen in speciale kernen in de thalamus. De Thalamus heeft ook kernen die opnieuw boodschappen sturen naar de bewegingscontrole centra in de hersenstam. Thalamus speelt ook een rol on de arousal van de hersenen als geheel. In het midden van de hersenen lopen arousal paden die samenkomen in het centrum van de thalamys en vervolgens naar alle gebieden van de cerebrale cortex projecteren.
Basale ganglia en cerebellum (kleine hersenen) zijn erg belangrijk voor het uitvoeren van geleerde, goed gecoördineerde bewegingen. Vermogen tot typen raakt beschadigd bij schade aan het cerebellum. Schade aan de basale ganglia leidt tot moeite met langzamere, weloverwogen bewegingen zoals iets oppakken. Ze gebruiken allebei sensorische informatie, de basale ganglia als feedback, het cerebellum als feed forward.
Het limibische systeem is betrokken bij het reguleren van driften en emoties. Het systeem was eerst een systeem voor uitgebreid analyse van olfactorische informatie en is tegenwoordig ook nog nauw verbonden met de neus. Het limibische systeem ontvangt input van alle sensorische organen en is direct verbonden met de basale ganglia. De hypothalamus speelt een belangrijke rol bij het reguleren van het lichaam.
Functionele gebieden van de cerebrale cortex zijn als volgt:
- Primaire motorgebied
- Primaire sensorische gebied
- Associatiegebieden (nemen van beslissingen en bij perceptie)

Hersengebieden en functies
Een groot gedeelte v.d. linker hemisfeer is op de 1 of andere manier bij taal betrokken. Beschadiging van deze gebieden leidt tot afasie (verlies van taalvermogen).
- Broca afasie/ niet vloeiende afasie: Taalgebruik van de persoon neemt telegramstijl aan. De zinnen zijn kort en patiënten gebruiken meestal allen werkwoorden en zelfstandig woorden.
- Wernicke afasie/ vloeiende afasie: Patiënten hebben moeite met het vinden van de juiste woorden om zich uit te drukken en ze hebben moeite met begrijpen van de betekenis van woorden die ze horen.
De hersenen zijn opgesplitst in twee hemisferen die onderling verbonden zijn door het corpus callosum, een dikke bundel axonen. Elke hemisfeer heeft dezelfde primaire sensorische en motirfuncties, maar voor andere helften van het lichaam. De linker hemisfeer is gespecialiseerd in taal, de rechter in non-verbale, visuospatiele informatie.
Bij split-brain patiënten (corpus callosum doorgesneden) is het mogelijk de kennis van 1 hemisfeer te onderzoeken door de persoon een taak te laten uitvoeren met de tegenovergestelde hand of door visuele stimuli aan te bieden alleen in het tegenoverliggende visuele veld. Een van de conclusies is dat zonder het corpus callosum de hemisferen niet op de hoogte zijn van de kennis van de andere hemisfeer.
Long-term potentiation (LTP) is een proces waarbij herhaalde activatie van synapsen resulteert in het sterker worden van deze synapsen. Hebb was de eerste die stelde dat neuronen die tegelijkertijd vuren onderling sterker verbonden raken. LTP is betrokken bij leren. Bij LTP worden de axonterminals groter en komen er nieuwe receptoren op het post-synaptische membraan, soms groeten er zelfs nieuwe synapsen.

H3. Genetische en evolutionaire basis van gedrag

Genen
Genen hebben geen directe invloed op gedrag. De effecten van genen op gedrag zijn minder direct, namelijk via de opbouw van de structuren van het lichaam. Zij maken deel uit van het DNA. DNA zorgen d.m.v. interactie met de omgeving voor gedrag.
Met de omgeving wordt bedoeld alles wat het individu omringt, behalve de genen. Bij de langdurige gedragseffecten is een activatie van de genen betrokken. Het genotype is set van genen die iemand geërfd heeft. Het fenotype bestaat uit de uiterlijke waarneembare kenmerken van een individu. Niet alle gelijke genen hebben hetzelfde effect. Dit kan komen door invloeden uit de omgeving en door de combinatie met de andere genen. Mensen met hetzelfde genotype kunnen dus een verschillende fenotype hebben door invloed vanuit de omgeving.

Mitose vs meiose
Celdeling
Een celdeling van iets anders dan een eicel of een spermacel heet mitose. Hierbij wordt een exacte kopie van de chromosomen gemaakt. Bij eicellen en spermacellen heet het proces meiose.
Tijdens meiose vermenigvuldigt elke chromosoom zich 1x, waarna de vervolgens 2x gedeeld wordt. De chromosomen van elk paar komen naast elkaar te liggen en wisselen genetisch materiaal uit op een willekeurig manier. Hierdoor lijken de paren gelijk, maar bevatten toch niet precies dezelfde genen.
Wanneer twee genen op dezelfde locatie identiek zijn noemen we dat homozygoot op die locus (locatoe/DNA regio). Als ze niet identiek zijn heet het heterozygoot op die locus. Verschillende genen die op dezelde locatie kunnen zitten en dus mogelijk met elkaar een paar kunnen vormen heten allelen.

Dominante en recessieve genen
Er bestaan dominante en recessieve genen. Dominate genen produceren hun effecten zichtbaar, zowel wanneer iemand heterozygoot als homozygoot is op dat allel. Recessieve genen produceren alleen hun effecten als iemand homozygoot is (dus alleen bij afwezigheid van een dominant gen).
Gregory Mendel is degene die bedacht heeft dat erfelijke informatie in paren is opgeslagen en dat de ene helft van het paar dominant kan zijn over de ander. Hij deed experimenten met twee heterozygote 'ouders' en keek dan naar de uitkomst. De ouders Hh x Hh produceerden: HH, Hh, Hh en hh.
Kenmerken die door een enkel gen bepaald worden zijn categorisch. Ze zijn het een of het ander, maar de meeste kenmerken zijn continu. Dat wil zeggen dat individuen niet in twee groepen in te delen zijn. Deze kenmerken zijn volgens de normaal distributie verdeeld. Kanmerken die op deze manier verdeeld zijn, worden meestal bepaald door meerdere genen en heten daarom polygene kenmerken. Kenmerken dit afhankelijk zijn van een enkel gen noemen we Mendeliaanse kenmerken.
1. Een enkel gen kan meerdere effecten teweeg brengen
2. Veranderingen in genen kunnen veranderingen in anatomie en gedrag tot gevolg hebben en dit maakt deel uit van de evolutie van de mens
3. Genen kunnen gedrag beinvloeden door de invloed die ze hebben op de ontwikkeling van verschillende hersengebieden
4. Sommige genen hebben het effect dat ze andere genen activeren en zo de productie van verschillende protein moleculen controleren

Epigenetica
Het veld van de epigenetica bestudeert 'gen-regulerende activiteit die geen veranderingen in de DNA code behelst, en kan voortbestaan in 1 of meerdere generaties'. We erven namelijk niet alleen DNA van onze voorouders maar ook diverse chemische markers die genen reguleren door ze sommige momenten aan- of uit te zetten en op deze manier te bepalen hoeveel eiwitten ze produceren.
Het meest bestudeerde mechanisme van epigenetica is DNA methylatie. Methylatie verandert niet het eiwit dat een gen zal produceren, maar beïnvloed of genen dit eiwit überhaupt gaan produceren. Hoog gemethyliseerde genen kunnen hun eiwitten niet produceren, deze genen zijn dus uitgezet.
Processen van DNA methylatie kunnen beïnvloed worden door ervaringen, het lijkt namelijk een primair mechanisme te zijn waarbij ervaring de actie van genen verandert en hierdoor gedrag. Sommige epigenetische markers die door methylatie gecreëerd worden kunnen worden overgeërfd.

Naturalistisch en deterministische valkuil
Sommige mensen hebben het idee dat de evolutie een eindpunt heeft, maar dat is een misvatting. Het is belangrijk om je te realiseren dat de evolutie niet vooruit kijk. niet naar een bepaald doel toe werkt en geen vooraf uitgestippeld pad volgt.
Bovendien is het niet zo dat bepaalde soorten 'verder' zijn in de evolutie dan andere: de mens is niet verder geëvolueerd dan de chimpansee. Er zijn twee valkuilen waarin mensen vaak trappen als het gaat om evolutionair denken.
- De naturalistisch valkuil is dat veel mensen denken dat natuurlijk gelijk staat aan moreel of goed. Dit is niet juist moraliteit en opvattingen over goed en kwaad zijn productie van de menselijke geest.
- De deterministische valkuil. Deze valkuil bestat uit de aanname dat genen ons gedrag controleren en dat we daar niets aan kunnen doen. Dit is niet juist: de invloed van onze genen is namelijk indirect. Door zelfcontrole en aangeleerde gewoonten kunnen we ons gedragen op manieren die tegen onze biologie ingaan.

Functionalisme
Het functionalisme is een stroming in de psychologie die gedrag probeert te verklaren in termen van het nut van het gedrag voor het individu. Verklaringen in evolutionaire termen kunnen in twee groepen worden gedeeld.
- Ultimate verklaringen zijn functionele verklaringen op evolutionair niveau: hoe zorgt gedrag ervoor dat een individu zijn genen kan overbrengen naar de volgende generaties.
- Proximate verklaringen gaan niet over de functie maar over het mechanisme dat het gedrag produceert.
Deze soorten verklaringen kunnen elkaar aanvullen.
Beperkingen van functionalistisch denken
Functionalistisch denken geeft antwoorden op veel vragen, maar het heeft ook de nodige beperkingen. Niet alle kenmerken hebben bruikbare functies en sommige kenmerken waren ooit nuttig maar zijn het nu niet meer, maar blijven voortbestaan. Er zijn 4 redenen waarom een kenmerk niet functioneel hoeft te zijn.
1. Geëvolueerde mechanismen kunnen niet met elke situaties effectief omgaan. Anders gezegd; omdat een bepaald kenmerk over het algemeen voordeling werkt voor de overleving en de reproductie, wil dat niet zeggen dat het in een specifiek geval niet nadelig kan werken.
2. Sommige kenmerken zijn rudimentaire kenmerken. Vb. grijpreflex bij baby's.
3. Sommige kenmerken zijn het gevolg van toeval. Genetische drift.
4. Sommige kenmerken zijn neveneffecten van de natuurlijke selectie van andere kenmerken. Vb. navelstreng.

Soortspecifieke gedrag
Elke diersoort heeft kenmerkende gedragingen. Deze gedragingen zijn door de evolutie gevormd, maar kunnen wel beïnvloed worden door ervaringen. Darwin ontdekte dat de basisemoties en hun uitdrukkingen universeel zijn en dat zelfs blinde mensen, die dus nooit iemand boos of blijk hebben zien kijken, de uitdrukkingen beschikken.
Uit onderzoek van Ekman en Friesen kwamen zes basisemoties naar voren: verassing, angst, walging, droevigheid, blijheid en woede. Natuurlijk zijn er wel culturele verschillen in de uitdrukking van emoties, maar de basis in universeel en aangeboren. De culturele verschillen zijn aangeleerd.
Soortspecifieke gedragingen vereisen een hoge mate van biologische voorbereiding (preparedness), dat wil zeggen dat alle benodigde lichamelijke mechanismen aanwezig moeten zijn.
Homologie vs analogie
Er zijn twee categorieën overeenkomsten tussen soorten: homologie en analogie. Een homologie is een overeenkomst tussen soorten vanwege gemeenschappelijke voorouders. Een analogie is een overeenkomst tussen soorten door convergente evolutie. Convergente evolutie wil zeggen dat dier soorten die op een zelfde manier van leven of leefgebied hebben onafhankelijk van elkaar dezelfde kenmerken ontwikkelen. Bij de analogie is de overeenkomst gebaseerd op functie en de grote vormen. Bij homologie op de onderliggende contructie en mechanismen.

Paringspatronen
Grofweg zijn er 4 soorten paringspatronen te onderscheiden, namelijk:
1. In polygynie paart 1 mannetjes met meerdere vrouwtjes
2. In polyandrie paart 1 vrouwtje met meerdere mannetjes
3. In monogamie paart 1 mannetje met 1 vrouwtje
4. In polygyandrie paren meerdere mannetjes met meerdere vrouwtjes
Triver ontwikkelde de theorie van parental investment (ouderlijke investering) om seksverschillen te verklaren als het gaat om paringspatronen. Parental investment is alle tijd, energie en risico die het een ouder kost om de nakomelingen te verzorgen, te voeden enz. Als de ouderlijke investering ongelijk is, zijn er twee principes die opkomen: de sekse die het meest investeert is kritischer met het zoeken naar een partner en de sekse het minst investeert zal intensievere strijd moeten leveren om een partner te vinden.
Per paringspatroon is de ouderlijke investering anders. Zo wordt in het paringspatroon polygyandrie de ouderlijke investering met de groep gedeeld. Bij monogamie is de ouderlijke investering ongeveer gelijk. Sociale monogamie: samen grootbrengen van de jongen, staat niet gelijk aan seksuele monogamie. Bij polygynie is het zo dat de vrouwtjes veel investeren en de mannetjes weinig.
Mensen vallen tussen monogamie en polygnie. In niet-westerse culturen komt polygynie regelmatig voor, in de westerse wereld is het monogamie huwelijk het ideaal. In de meeste culturen zijn het de vrouwen die voor de kinderen zorgen, maar meestal spelen ook de mannen een rol in opvoeding, vooral als kostwinner.

Vertonen van agressie en het geven van hulp
Competitie om bronnen vormt de basis voor agressie, maar mensen zijn ook afhankelijk van anderen en hun hulp. Dieren en mensen hebben hersenmechanismen die agressief gedrag bevorderen om brommen voor overleving en voortplanting veilig te stellen. Bij de meeste zoogdieren zijn de mannetjes veel agressiever dan vrouwtjes. De vrouwtjes kunnen agressief zijn om voorziening te krijgen of om hun jongen te beschermen.
Mensen lijken qua agressief gedrag sterk op primaten. Seksuele jaloezie is het meest voorkomende motief van moorden die door mannen gepleegd worden. Status is ook een van de oorzaak en agressie tussen mannen, net als de behoefte om vrouwen te onderdrukken.
Helpen vanuit evolutionair oogpunt is elk gedrag dat de kans op overleving en reproductie van een ander vergroot. Coöperatie is het helpen van een ander terwijl het individu ook zichzelf helpt. Altruïsme is wanneer een individu een ander helpt terwijl dat zijn eigen kansen op overleving en voortplanting verkleint. Dit komt minder vaak voor dan coöperatie.
Kin selectie theorie van Hamilton stelt dat altruïsme door natuurlijke selectie komt, omdat het individu bij voorkeur naaste familie helpt omdat deze genetische sterk op het individu lijken. Op deze manier kunnen de genen van een individu overleven zelfs als het individu het zelf niet overleeft. Dieren helpen inderdaad eerder familie dan niet-familie. Bij mensen noemen we het helpen van familie nepotisme en dit komt in alle culturen voor. De reciprociteit theorie van Trivers stelt dat altruïsme ook voorkomt bij niet-familieleden, als een soort coöperatie op de lange termijn. Dit kan alleen als het individu zich kan herinneren wie in het verleden hem geholpen heeft en het individu. Mensen hebben emoties zoals dankbaarheid die reciprociteit bevorderen.