Posts tonen met het label Pioneers of psychology. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Pioneers of psychology. Alle posts tonen

H11. De geest in conflict

Josef Breuer en Bertha Pappenheim
Breur en Pappenheim bedachten samen de "cathartic method" als behandeling. In die methode hyponotiseerde Breuer Pappenheim en vroeg hij haar om terug te gaan naar de eerste keer dat ze een fysieke sensatie (zoals haar symptomen) had ervaren. Het hypnotiseren maakte het makkelijker om vergeten herinneringen terug te halen. Door de vergeten herinneringen terug te halen, kan ze de onderdrukte emotie ook loslaten. Zo konden de symptomen verdwijnen.
Inspiratie voor Freud en het ontstaan van de psychoanalyse
Sigmund Freud bevriend met Breuer, herinnerde zich jaren later de methode en probeerde deze uit. Hij kwam erachter dat het beter werkt dan directe hypnose. Samen mer Breuer schreef hij het boek "Studies on hysteria" dat het startpunt voor het nieuwe veld van Freud werd. Dit veld noemde hij psychoanalyse. De psychoanalyse speelde een belangrijke rol in de geschiedenis v.d. Mental en child guidance clinics. In het boek werden verschillende casussen beschreven en werd de algemene hypothese gestald dat patiënten met hysterie onder hun herinneringen leden. het ging dan niet op normale herinneringen, maar herinneringen over emotie geladen ervaringen die in het onbewuste opgeslagen waren, waardoor ze ziekte veroorzaakten. Zonder toegang tot het normale bewustzijn, kan de emotionele energie die met de pathogene ideeën gespaard gaat niet op normale wijze uitgedrukt en losgelaten worden. De stimulus die normaal de herinneringen opwekte, wed nu gebruikt om de beknelde emotionele energie te activeren, waardoor er hysterische symptomen geproduceerd werden. De hysterische symptomen werden conversies genoemd. Met hypnose kunnen mensen weer bewust toegang krijgen tot de pathogenese ideeën, waardoor de normale uitdrukking van hun bekneld energie kan plaatsvinden. Zo wordt de oorzaak v.d. symptomen aangepakt. Een minpunt is dat de cathartic method alleen toepasbaar is bij mensen die diep gehypnotiseerd kunnen worden.

Sigmund Freud
Freud groeide op als oudste kind in zijn gezin, maar wel met halfbroers die even oud waren als zijn moeder en een neefje die ouder was dan hij. Door deze ongewone familiesamenstelling zou Freud wel een gevoelig kunnen zijn geworden voor familierelaties. Later legt hij namelijk de nadruk in  zijn theorieën daarop.
De invloed van Franz Brentano
Toen Freud aan de universiteit van Wenen ging studeren, leerde hij de filosoof Brentano kennen, die zijn inspiratie werd. In 1874 had Brentano een boek gepubliceerd, Psychology from an Empirical Standpoint. In zijn boek benadrukte hij de act psychologie, waarin hij de essentiële aard v.d. onderwerpen binnen de psychologie en die binnen de fysieke wetenschappen tegenover elkaar zette. De fysieke wetenschappen bestudeerden objecten, terwijl voor Brentano de basiseenheden van psychologie analyses eerder acties waren, die altijd naar de inhoud van een object verwezen. Bijv, waar de basiseenheid van fysieke analyse waarschijnlijke een atoom is, was de psychologische basiseenheid een actie is als het denken over een atoom, of geloven dat een bepaald atoom bestaat. Dus alle mentale fenomenen hebben een component dat aangeeft waar ze "over gaan" een manier waarop het object in het bewustzijn wordt betrokken of geimpliceerd. Dit noemde Brentano intentionaliteit. Ook was Brentano van mening dat elke psychologische theorie dynamisch moet zijn, of in staat om rekening te houden met de invloed van de motivationele factoren op het denken. Ook maakt hij een onderscheid tussen de objectieve realiteit van fysieke objecten en de subjectieve realiteit van het prive denken. Brentano bleef de inspiratie van Freud, totdat hij Brucke leerde kennen.
Vrije associatiemethode
Freud bedacht de druktetechniek, waarbij patiënten op een bank moesten gaan liggen en hun ogen gesloten moesten houden, net als hypnose. Vervolgens moest de patient in gedachten teruggaan naar het moment at hij voor het eerst de symptomen ervaren had. Wanneer de patient de herinneringen niet meer voor de geest kon halen, dan drukte Freud met zijn hand op hun voorhoofd. Vaak kwamen de herinneringen dan weer terug. Dit proces herhaalde zich dan een aantal keer. en vaak zorgde het bij de patiënten voor verlichting. Langzamerhand kwam Freud erachter dat hij geen fysieke druk hoefde uit te oefenen om hun geheugen te stimuleren. Het enige dat hij moest doen was zijn patiënten aanmoedigen om hun gedachten te laten gaan en om ze op het hart te drukken om eerlijk te zeggen wat er bij hun opkwam, ook al leek het irrelevant. Door op alles door te vragen, konden er associaties gevormd worden. Deze methode van vrije associatie werd al snel de nieuwe standaard behandeling van Freud. Door zijn aandacht meer op de associaties van de patient en de relatie tussen hem en zijn patient te richten, deed hij een aantal belangrijke ontdekkingen.
Overdetermination
De pathogenese ideeen die opgeroepen werden hebben geen 1 op 1 relatie met bepaalde symptomen. Er was eerder sprake van een reeks pathogenese ideeën achter een individueel symptoom. Dit noemde Freud 'overdetermination". Een patient met trillingen associeerde bijvoorbeeld verschillende emotiegeladen herinneringen met haar symptomen.
Intrapsychisch conflict
Onbewuste pathogenese ideeën zijn niet vergeten, maar eerder bewust onderdrukt. Als bewijs voor deze hypothese kwam Freud met de observatie dat patiënten eerst weerstand boden tegen het vrije associatieproces. De onbewuste weerstand suggereerde dat patiënten complexe attitudes t.o.v. hun ziekte hadden. Aan de ene kant leden ze onder de symptomen en wilden ze er vanaf, maar aan de andere kant was er ook nog de onbewuste weerstand die in de weg stond. Freud merkte dus een intrapsychische conflict in de patiënten op.
De seductietheorie en de rol van seksueel misbruik
Een andere hypothese die Freud ontwikkelde, had te maken met de vele ervaringen die zijn patienten deelden die gingen over seksueel misbruik in de kindertijd. De hypothese was dat onderdrukte seksuele ervaringen nodig waren voor hysterie om te kunnen ontwikkelen. doordat ervaringen van seksueel misbruik de pathogenese ideeën vormen. In de seductietheorie van hysterie stelde Freud dat alle patiënten met zenuwaanvallen seksueel misbruikt waren als kind. Als kind hadden ze het alleen niet direct als seksueel ervaren, maar zodra de seksuele drive in de puberteit opkwam, werden de herinneringen aan de ervaringen alsnog geseksualiseerd. De herinneringen werden emotioneel geladen, waardoor de patient  vatbaar werd voor het onderdrukken van deze herinneringen. pathogene ideeën werden dus door hysterische conversiesymptomen vervangen. Symptomen functioneerden dus als verdediging tegen de psychologisch gevaarlijke pathogene ideeën. Echter deze theorie werd zo slecht ontvangen dat Freud zelfs aan zijn eigen ervaringen begon te twijfelen. Als de vrije associatie geen echte herinneringen zijn, wat waren het dan? Uiteindelijk, nadat hij onderzoek had gedaan naar de betekenis en aard van dromen, corrigeerde hij zijn theorie.

Freud's interpretatie van dromen
Met behulp van vrije associatie begon Freud dromen te analyseren. Hij maakte hierbij onderscheid tussen manifest inhoud en latentie inhoud van dromen. Hij stelde dat dromen voortkwamen uit een reeks latente gedachten of ideeën, die tijdens het slapen m.b.v. drie processen in manifeste inhoud omgezet worden.
- De manifeste inhoud symboliseert de latente inhoud, Het proces van vervanging vindt plaats doordat psychische energie met een zwaar geladen latente inhoud, vervangen wordt door een gerelateerde, maar emotioneel neutraler idee uit de manifeste inhoud. Vervanging (displacement) heeft een beschermende functie.
- Verschillende latente gedachten worden gesymboliseerd door 1 afbeelding of element uit de manifeste inhoud. Dit proces noemt hij versteviging (condensation). Dit is wanneer twee of meer latente gedachten worden samengevoegd in een manifeste afbeelding.
- De manifeste inhoud geeft latente ideeen weer d.m.v. concreet ervaren sensaties of hallucinaties. Dromen worden niet subjectief ervaren als gedachten, maar eerder in de vorm van sensaties. De latente droomgedachten ontvangen concrete representaties in de subjectieve sensaties v.d. manifeste content.
De primaire en secundaire processen
Freud was van mening dat de hierboven genoemde drie processen het tegenovergestelde waren van de mentale activiteit die normaal gesproken geassocieerd wordt met logisch en wetenschappelijk denken. Daar is namelijk sprake van een denkvorm waarbij we termen gebruiken die expliciet naar concepten verwijzen, i.p.v. indirect. Ook gebruiken we concepten die beperkt toepasbaar zijn, i.p.v. breed toepasbaar. In logisch en wetenschappelijk denken zijn de processen dus ook bewust beschikbaar en tot op bepaalde hoogte vrijwillig controleerbaar. Bij het dromen of creëren van symptomen zijn alle processen onbewust, net zoals dat symptomen of dromen onvrijwillig verschijnen. freud kwam met 2 vormen van mentale activiteit. Ten 1ste de onbewuste mode, oftewel het primaire proces. Dit proces wordt geassocieerd met dromen en het vormen van symptomen. Babies worden volgens Freud geboren met een capaciteit voor dromen, maar moeten wel zelf leren hoe ze rationeel moeten denken. Ten 2e de bewuste mode, oftewel het secundaire proces. Dit proces is verantwoordelijk voor rationeel denken.
Wanneer het primaire denkproces overneemt
Freud zag het dromen en de hysterische symptomen bij volwassenen als een geval waarbij het secundaire denkproces losgelaten werd, en het primaire proces voordrong. Er heeft dus een regressie (terugval) naar eerdere en meer primitieve denkwijzen plaatsgevonden. Later kwam Freud erachter dat het primaire denkproces niet alleen maar beperkt was tot abnormale staten, zoals dromen en hysterie, maar ook een positieve rol kon spelen in het creatief en artistiek denken.

Seksualiteit in 1900
Rond 1900 werd de kindertijd gezien als een onschuldig fase die wordt verstoord door de fysiologische ontwikkelingen v.d. puberteit. Seksueel instinct zou pas in de puberteit naar voren komen. Nadat het instinct zicht heeft gestabiliseerd zou het individu zich moeten voortplanten d.m.v. genitale heteroseksuele gemeenschap. Freuds ideeën hierover waren dus schokkend in die tijd.
Freud's fasen van seksualiteit
Freud stelde een gegeneraliseerde vorm v.d. menselijke seksuele drive voor, die vanaf de geboorte al aanwezig is. Het doel is fysiek en sensueel plezier. Volgens zijn nieuwe theorie wordt een baby geboren in een polymorphous perversity, in staat om seksueel plezier uit stimulatie van allerlei lichaamsdelen te halen. Tijdens de ontwikkeling worden een aantal lichaamsdelen erogene zones, gebieden waar de baby seksueel plezier kan ervaren. Er wordt een aantal fases onderscheiden. De eerste fase begint met de mond, ofwel de orale zone. Zodra het kindop het toiler getraind wordt, vindt het kind plezier in de vrijwillig controle v.d. lichaamsfuncties. Dit wordt de anale zone genoemd. Later als het kind volledig controle over zijn lichaam ontwikkeld heeft, kan de stimulatie van de genitale zone een bron van seksueel plezier worden. Sociale factoren binnen de familie interacteren met deze ontwikkelingen.
De rol van fixatie
Freud ontdekte al snel afwijkende karaktertypen als gevolg van fixaties ind e verschillende fases. Individuen met het orale karaktertypen blijven voor de rest van hun leven geïnteresseerd in orale activiteiten, zoals eten, drinken, roken en praten. Als het kind teveel verwend werd kan het als volwassene erg optimistisch zijn. Als het kind niet verwend werd dan kan het later pessimistisch zijn. Het fallische of genitale karaktertype wordt gekenmerkt door eigenschappen zoals nieuwsgierigheid, exhibitionisme en erg competitief zijn.

Psychoanalytische psychotherapie
Het enige dat Freud als therapeut moest doen was het aannmoedigen van vrije associatie totdat de onderdrukte pathogenese ideeën binnen het bewustzijn kwamen en de symptomen verdwenen. maar Freud merkte dat de patiënten onbewust weerstand boden. Hij stelde dat de therapie gecompliceerd kon zijn door transference-gevoelens. Patiënten waren geneigd om attributies uit het verleden naar Freud te transformeren. De therapie vereiste dat er evenveel aandacht werd besteed aan de transferentie-relatie als aan de symptomen. Freud vond individuele symptomen minder belangrijk. Hij zag ze als relatief oppervlakkige manifestaties van een onderliggend emotioneel conflict. Elke conflict kon zich op verschillende manieren uitdrukken, mede d.m.v dromen, transference-gevoelens of specifieke symptomen. Symptomen zijn dus geen onafhankelijke entiteiten. Het verdwijnen van een symptoom betekent op zichzelf weinig, omdat het conflict zich weer op een ander manier kan uitdrukken, totdat het onderliggende conflict ontdekt en geanalyseerd is. Uiteindelijk ontstond zo de psychoanalyse, een lang en lastig proces van zeefverkenning, dat voor verlichting van de symptomen zorgde door inzicht in het onbewuste mentale leven van een individu te creëren.
De case study Dora
Dora is een case study van Sigmund Freud, die de toestand en de behandeling van Ida Bauer beschrijft, een vrouw met de diagnose hysterie die het pseudoniem Dora toegewezen krijgt. Het is een van de bekendste werken van Freud, en wordt geprezen vanwege het wetenschappelijke empirisme van de methode van Freud, en vanwege de identificatie van o.a. het fenomeen dat bekend staat als overdracht.
Oedipuscomplex
De term Oedipuscomplex beschrijft de universele, onbewuste van een jongen of meisje om de vader of de moeder te bezitten voor het eigen seksuele plezier, en waarbij het meisje de moeder als een bedreiging zier voor haar relatie met de vader en de jongen de vader om dezelfde reden als bedreiging ziet.

The ego and the Id
In zijn boek "The ego and the Id" stelt  Freud dat de geest zich bezig houdt met 3 eisen die met elkaar in conflict zijn. De drie eisen worden gepresenteerd door het Id, het ego en het superego. De taak v.d. geest is om deze conflicten zo goed mogelijk op te lossen. Ten 1ste zijn er de biologische behoeften, zoals verzorging, warmte en seksuele voldoening. Deze worden gepresenteerd door het Id. Deze interne, biologische eisen noemde Freud instincten. Ten 2e komen eisen uit de externe wereld. Om te overleven moeten en persoon leren om zijn omgeving te manipuleren om fysiek gevaren te vermijden en om zijn instincten te kunnen bevredigen. ten 3e heeft de geest te maken met morele eisen. Mensen handelen niet altijd naar al hun impulsen, omdat ze denken dat fout is. Ook al is er niets dat hen kan tegenhouden. Deze eisen worden gepresenteerd door het superego. Het ego is de middelaar v.d. geest. Alles wat een individu doet, is volgens Freud een compromis van conflicterende eisen, opgelost door het ego.
Verdedigingsmechanismen
Verdedigingsmechanismen zijn een vorm van compromissen v.d. geest, gevormd door het ego. Dit zijn de verdedigingsmechanismen:
- Displacement komt voor als iemand een impuls op een vervangend doel richt die enigszins op het originele doel lijkt, maar veiliger is.
- Projectie komt voor als iemand zich niet bewust is van de interne oorsprong van de onacceptabele impuls en de last verminderd door deze aan iemand anders toe te schrijven.
- Bij intellectualization wordt een aantal impuls en emotiegelden objecten direct benaderd, maar dan op een intellectuele manier zonder dan emoties erbij betrokken worden.
Andere verdedigingsmechanismen werken in op het geheugen. Voorbeelden zijn:
- Ontkenning komt voor als een persoon gelooft en zich gedraagt alsof een instinct gedreven handeling nooit heeft plaatsgevonden.
- Rationalisatie vindt plaats wanneer mensen volgens impuls A handelen maar hun gedrag verklaren op basis van een meer acceptabele impuls B.
- Identificatie, het oedipuscomplex verdwijnt en latentie begint, wanneer een kind zich identificeert met de ouder van hetzelfde geslacht en daarmee het verbod van die ouder op kinderseksualiteit internaliseert. Daarna komen de morele eisen voor terughoudendheid van binnen, i.p.v. uit de externe wereld. Het deel v.d. psyche dat de geinternaliseerde ouder weergeeft, is de superego.

Thanos en Eros
Mensen worden soms gedreven door een agressief doodinstinct, dat Freud Thanatos noemde. Het levensinstinct noemde hij Eros. Thanatos en Eros zijn constant aan het strijden om de macht. Het doodinstict kan zich uiten d.m.v. de superego; soms gebeurt dit door het produceren van zelfvernietigende gevoelens van schild en soms door de agressieve impulsen op de externe wereld te richten. Uit naam van morele waarden konden verschillende handelingen goedgekeurd en uitgevoerd worden door de superego.

H10. Sociale invloeden en sociale psychologie

Mesmerisme
Johann Joseph Gassner was een priester die beweerde dat hij ziekte kon genezen door exorcisme. Veel patiënten rapporteerden verbetering na zijn behandeling, maar veel anderen dachten dat hij doordreef en klakkeloos toepaste. Daarom werd de Weense fysicus Franzz Anton Mesmer gevraagd om de behandelingen van Gassner te onderzoeken. Mesmer kon patienten op een vergelijkbare manier genezen, maar d.m.v. magnetisme i.p.v. bovennatuurlijk exorcisme. Mesmer dupliceerde de effecten van Gassnet en stelde dat de effecten het resultaat waren van een sterke magnetische kracht.  Mesmer deed een aantal belangrijke ontdekkingen over het fenomeen hypnotisme en heeft een poging gedaan om dit wetenschappelijk te verklaren. Ook heeft hij onderzoek gedaan naar de sociale invloedsprocessen.
Mesmer
In 1766 haalde Mesmer zijn doctoraat in geneeskunde. Veel van zijn proefschrift had hij overgenomen van iemand anders, maar een van de delen die hij niet had overgscgreven ging over een kracht die hij dierlijke zwaartekracht noemde. Hij stelde dat magnetisme werd veroorzaakt door een groep onzichtbare en mysterieuze vloeistoffen, zoals elektriciteit, zwaartekracht en gassen zoals helium.
Mesmer's behandeling
In 1773 begin Mesmer een patient te behandelen die aan periodieke aanvallen leed, bestaand uit symptomen zoals convulsies, overgeven en ontstekingen. Hij liet zijn patient ijzer slikken en plaatste magneten op verschillende delen van haar lichaam. Vervolgens voelde ze een bepaalde kracht door haar lichaam gaan, gevolgd door de symptomen die ze tijdens de aanvallen ook had. Nadat de aanval afgelopen was, verdwenen de symptomen voor zes uur. Hij herhaalde deze behandeling een aantal keer en het leek te werken. Vervolgens paste hij de therapie ook bij anderen toe, maar dit keer suggereerde hij indirect dat zodra de magneten geplaatst werden, ze een aanval zouden krijgen, De meeste patiënten reageerden zoals verwacht.
Het ontstaan van dierlijk magnetisme
Daarna probeerde hij de behandeling zodra magneten, maar nog steeds suggererend dat ze een aanval zouden krijgen. De methode werkte ook, maai i.p.v. te concluderen dat magnetisme niets te maken heeft met zijn therapieën, Kwam Mesmer op het idee dat zijn eigen lichaam een sterke bron van dierlijk magnetisme was en dat dit therapeutisch even effectief was als een echte magneet. Volgens hem bevatte elke persoon - en de bijbehorende omgeving - een magnetische kracht die soms verzwakt kon raken. Dit leverde dan symptomen van ziekte op. Het gebruik van een sterke magnetische brong versterkt het veld weer, zodat de symptomen ook weer verdwenen. Toen er teveel patiënten om een behandeling kwamen vragen, kwam hij met het idee van zijn baquet (letterlijk: kuip) die gebruikt kon worden voor massaproductie van magnetische kuren.
Sociaal contagion en het einde van dierlijk magnetisme
Door mensen in groepen te behandelen ontstond er een toename in de reacties v.d. patiënten, door het fenomeen dat nu door sociale psychologen 'social contagion' wordt genoemd. De reacties die door een aantal patiënten als eerst getoond werden, lieten de andere patiënten zien hie ze zouden moeten reageren, zodat ze ook mee konden doen. Uiteindelijk werd er bij Mesmer ook een onderzoek ingesteld, net als eerder bij Gassner. De onderzoekers die de magnetische therapie ondergingen, ontdekten dat zij ongevoelig waren. Ook ontdekten ze dat mensen een aanval kragen als er iets gepresenteerd wordt waarvan ze overtuigd waren dat het gemagnetiseerd was, terwijl dat in feite niet zo was. Ze concludeerden dus dat er geen bewijs voor was dat magnetisme bestond. Ze ontkenden niet dat patiënten soms beïnvloed werden, maar stelden dat de invloed vooral verbeeld was, i.p.v. fysieke kracht.

Van Mesmerisme tot Hypnotisme
Toen Mesmer zich in 1784 terugtrok, zorgden zijn enthousiaste studenten ervoor dat magnetisme toch toegepast bleef worden. Een van die studenten, Amand Marie Jacques de Chastenet deed daardoor een aantal belangrijke ontdekkingen.
Kunstmatig somnambulisme
I.p.v. dat patiënten een aanval kregen, wist Chastenet een van zijn patiënten juist in een vredige en slaperige trance te brengen. Eenmaal in die staat konden patiënten vragen beantwoorden en gecompliceerde gedragingen uitvoeren, zonder dat ze zich achteraf konden herinneren wat er gebeurd was. Deze staat noemde hij eerst perfecte crisis, maar hij verving de term snel door kunstmatig somnambulisme. Chastenet ontdekte dat patiënten, als ze eenmaal in trance waren, gemakkelijk beïnvloed konden worden. Het niet kunnen wat herinneren van wat er tijdens de trance gebeurd is, wordt ook wel post-hypnotische amnesie genoemd. Post-hypnotische suggestie is het effect waarbij aan de deelnemers tijdens de trance verteld wordt wat ze moeten doen wanneer ze wakker worden, zonder dat ze zich in hun wakkere staat bewust zijn van wat hen eerder geïnstrueerd. Daarnaast had Chastenet twee overtuigingen: 1. deelnemers in trance konden dingen doen die ze normaal onmogelijk zouden vinden en 2. deelnemers kunnen niet tegen hun wil in gehypnotiseerd worden, of dingen doen tijdens de trance die tegen hun morele principes in gaan. Een verklaring voor de eerste overtuiging is dat hypnose iemand meer ontspannen en zekerder maakt over hun vaardigheid om iets te doen, waardoor hun prestatie verbetert.
Hypnotische beïnvloedbaarheid
Joe Custodio di Faria was sceptisch over de magnetische theorie. Hij probeerde het fenomeen te verklaren door te kijken naar de kwetsbaarheid en de predisposities v.d. deelnemers. Hij demonstreerde dat trance ook uitgelokt kon worden zonder magnetische kracht te gebruiken. 1 op 5 deelnemers reageerde in zijn experiment op dezelfde manier als dat er bij Chastenet gereageerd werd. Faria noemde deze reactie lucide slaap. Hij toonde aan dat lucide slapen bij iedereen mogelijk is, en afhankelijk is v.d. gevoeligheid en aanleg v.d. deelnemers i.p.v. magnetische krachten.
Van Mesmerisme naar neuro-hypnologie
Het mesmerisme is een v.d. meest succesvolle vroege verdovingsmethodes die in de Westerse chirurgie gebruikt werd. In 1843 voerde WS Ward een beenamputatie uit en rapporteerde dat de gemesmerizeerde patient geen pijn kan ervaren. Men was hier niet van overtuigd. James Esdaile paste ook mesmerisme toe in zijn operaties, waardoor het sterftecijfer van gevaarlijke operaties van 50% daalde tot 5%. Ook dat werd niet herkend. In 1844 kwam Horace Welles erachter dat hij pijnloos tanden kon trekken door zijn patiënten eerst met lachgas in slaap te laten vallen. Andere methodes waren ether en chloroform. Deze chemische manieren waren betrouwbaar en universeel toepasbaar. James Braid concludeerde na een kort onderzoek dat mesmerisme wel degelijk echt was en bevestigde eerder resultaten van Chastenet en Faria. Hij demonstreerde mesmerische effecten en benadrukte de gevoeligheid v.d. deelnemers. Ook kwam hij met de term neuro-hypnologie als nieuw naam voor mesmerisme.

Nancy school
De Nancy school van hypnose ontwikkelde zich m.b.v. Ambroise Auguste Liebeault. Hij richtte een praktijk op en begon te experimenteren met hypnotische therapieën. Hij liet zien dat fysieke klachten d.m.v. psychologische en suggestieve factoren gemanipuleerd kunnen worden. Hippolyte Bernheim hoorde over Liebeault en besloot deze methodes ook te leren. Hij vergeleek de kenmerken van mensen die sterk op hypnose reageerden en mensen die er awak op reageerden. Hij concludeerde dat de meeste succesvolle resultaten afkomstig waren van mensen uit lagere sociale klassen. Hij stelde dat de patiënten uit lagere klassen waarschijnlijk meer geconditioneerd waren om te gehoorzamen, waardoor ze meer hypnotische gevoeligheid vertoonden. Hij introduceerde term vatbaarheid, dat verwees naar de geschiktheid om een idee in een handeling om te zetten. Sterk hynotiseerbare patiënten hadden deze eigenschap vaak sterker in zich

De Salpetriere school
Jean-Martin Charcot was de leider van de Salpetriere school. Hij droeg bij aan het rehabiliteren van hypnose als een wetenschappelijk onderwerp door het te presenteren als een somatische uitdrukking van hysterie. Hij had overeenkomsten gevonden tussen hypnose en hysterie, en hij verklaarde dat hysterie en hypnose twee aspecten zijn die dezelfde onderliggende abnormale neurologische conditie hebben. Hij betwiste de bewering van Liebeault dat hypnotische vatbaarheid een normale eigenschap is. De diagnoses van Charcot waren gebaseerd op de assumptie dat veel neurologische ziektes of in hun zeldzame, zuivere vorm voorkwamen of in een gedeeltelijk of incomplete form. Hij besloot om verschillende groepen patienten met bepaalde aandoening te observeren, totdat hij een groepje tegenkwam die dit type kon representeren.
Epilepsie en hysterie
Mensen die leden aan epilepsie en mensen die leden aan hysterie vormden zulke groepen. Zowel bij hynose als hij hysterie vond hij fysieke en mentale afwijkingen die anatomisch niet logisch waren en buiten de controle v.d. deelnemer vielen. Charcot concludeerde dat hypnotische effecten en hysteriesymptomen waarschijnlijk dezelfde oorzaak hebben en dat hypnotische vatbaarheid eigenlijk alleen maar een symptoom is.
Grand hypnotisme
Hij besloot Blance Wittman, een vrouw met hysterie te observeren. Hij observeerde drie fases. De eerste fase was catalepsie waarbij spierverzakking plaatsvond. De tweede fase was lethargie waarbij verkrampingen en onwillekeurige bewegingen plaatsvonden. De laatste fase was somnambulisme waarbij complexe automatische bewegingen en handelingen plaatsvinden (zoals slaapwandelen). Deze drie fasen noemde hij grand hypnotisme.

Gustave Le Bon
Gustave Le Bon stelde dat de meest fundamentele sociale reacties van een persoon afkomstig waren uit onbewuste ideeën en motieven. Hij merkte op dat wanneer mensen een nieuwe taak leerden, ze hun bewuste aandacht op hun gedrag richtten. Zodra de taak goed geleerd was, werd het gedrag meer onbewust en automatisch. Hij concludeerde dat de best geleerde, meest effectieve en meest motiverende ideeën altijd op een onbewust niveau werken. Hij stelde dat het meest fundamentele verschil tussen naties en culturen afkomstig was van verschillende onbewuste ideeën en aanleg. Ook stelde hij dat de mate van bewuste controle over het gedrag van een individu verminderd werd, zodra diegene in een groep geplaatst werd.
De psychologie van groepen
Individuen in een groep hebben de neiging om individualiteit en rationaliteit los te laten, waardoor ze dingen doen die ze eigenlijk in hun eentje nooit gedaan zouden hebben. Le Bon probeerde het gedrag van individuen in groepen d.m.v. 3 factoren te verklaren:
- Mensen in een groep zijn zich bewust van hun grote aantal, en de anonimiteit van hun individualiteit. Samen ben je immers sterker (en anoniemer).
- Het effect v. sociale besmetting
- Toegenomen vatbaarheid voor beïnvloeding van mensen in groepen
De laatste twee factoren zijn al eerder geobserveerd. Le Bon onderzocht de relatie tussen hypnose en het groepsfenomeen, d.m.v. de analyses die hij maakte over de kwaliteiten van effectiever leiders in groepen. De meest effectieve, maar tegelijkertijd ook gevaarlijke, leider is iemand die niet-reflectief, irrationeel en fanatiek is. Ook merkte Le Bon op dat effectieve leiders drie technieken gebruikten om met hun volgers te communiceren. Dezelfde drie technieken werden destijds ook door hypnose therapeuten gebruikt:
Bevestiging: de effectieve leider benadruk altijd meer het positieve dan het negatieve, om twijfels en discussie te voorkomen.
Het herhalen van bevestigingen.
Ervoor zorgen dat er altijd een aantal fanatieke volgelingen tussen de anderen in staan.

Binet en zijn visuele geheugen experiment
Nadat Binet door Delboeuf ontmaskerd was, noemde hij niet-intentionele suggestie "de cholera v.d. psychologie". Samen met Victor Henri ontwikkelde hij een simpele test om het visuele geheugen te testen. In de test kregen deelnemers een rechte lijn te zien. Vervolgens werd er gevraagd om uit verschillende niet-rechte lijnen eentje te kiezen die even lang is. De studies van Binet toonden aan hoe sociale fenomenen zoals conformiteit, vatbaarheid en de ooggetuigenverklaringen v. kinderen gemakkelijk in een laboratorium onderzock konden worden. Norman Triplett voerde een vergelijkbaar onderzoek uit.

Floyd Henry Allport en de sociale psychologie
Allport leverde 3 bijdrages om sociale psychologie te vestigen als een academische discipline. Hij bestudeerde en vergeleek individuele prestaties met die van mensen in een groep. Dit deed hij m.b.v. een aantal tijdsgebonden taken. De kwantiteit van de presentatie per lid van een groep was meer dan wanneer een individu alleen werkt, maar de kwaliteit stelde niets voor. De intensiteit van het werken die in de aanwezigheid van anderen toenam, noemde hij sociale facilitatie. Ook ontdekte hij dat bij taken waarbij men m.b.v. een schaal moet oordelen (zoals plezierig/niet plezierig), deelnemers vaak het extreme vermijden en meer in het midden van de schaal blijven. De homogeniteit v.d. reacties is het gevold v.d. conformiteit-producerende neiging. Allport was ook van mening dat sociale psychologie zich op objectief observeerbare reacties moest focussen, geproduceerde door individuen in een objectief specifeerbare sociale situaties. Hij wees de group fallacy - groepsdenken - af. Allport was dus een voorstander van een sociale psychologie die experimenteel en objectief is, gericht op de reacties van individuen in gecontroleerde situatie.

Solomon Eliot Asch en sociale conformiteit
Asch richtte zich op sociale conformiteit. Asch had dezelfde sociale zorgen als de Gestalt-psychologen. Het plaatsvinden v.d. holocaust, waarbij mensen anderen gehoorzaamden en zo de meest wrede handelingen uitvoerden, wees erop dat de neiging om erbij te horen zich niet beperkte tot atypische persoonlijkheden. Het lijkt eerder een universele neiging te zijn die door situationele factoren beïnvloed kon worden. In deze sociale condities, die invloed op de conformiteit en gehoorzaamheid hadden uitgeoefend, waren sociale wetenschappers en filosofen geïnteresseerd. Asch ging weer terug naar de term "vatbaarheid" en voegde  daaraan toe dat de term een soort passieve acceptatie suggereerde bij sociale druk. Asch vroeg zich af of de deelnemers echt alles geloofden dat hen verteld was en of zich ervan bewust waren dat wat ze verteld is, niet waar is.
Asch's experiment
In zijn experiment bracht hij een groep mensen bij elkaar. Dit experiment lijkt veel op het experiment van Binet met het onthouden v.d. lengte v. lijnen. In het experiment v. Asch was er maar 1 echte deelnemer in de groep, en mocht diegene pas als laatste zijn mening geven. De andere nep-deelnemers bij de eerste twee trials de juiste reactie, en de echt deelnemer gaf uiteraard hetzelfde antwoord. De echte deelnemers bleken hier verschillend op te reageren, maar ze vertoonden wel allemaal dezelfde observeerbare signalen die op verassing en ongemak wezen. Later gaven ze in interviews toe dat sommigen zich verplicht voelden om de rest v.d. groep in hun antwoord te steunen, terwijl anderen meer vertrouwen hadden in eigen oordeel.

Festinger en cognitieve dissonatie
Leon Festinger onderzocht cognitieve dissonantie, een onderwerp waarbij experimentele sociale psychologie met cognitie gecombineerd wordt. Het gaat hier om twee of meer ideeën of overtuigingen, die iemand over een bepaald onderwerp heeft. Deze ideeën zijn met elkaar in conflict. Als iemand zich bewust wordt van het conflict, dan ervaart diegene een oncomfortabele staat van cognitieve dissonantie en is hij gemotiveerd om dat gevoeld te verminderen. Een alternatief idee, ook al is het onjuist, kan ervoor zorgen dat dissonantie minder wordt, wanneer het door meer mensen aangenomen wordt.
Een dollar experiment
Een van de meest bekende experimenten waar in cognitieve dissonantie onderzocht wordt, is het een dollar experiment. Deelnemers moeten eerst in 1u twee extreem saaie taken uitvoeren. Vervolgens wordt er aan de deelnemers gevraagd om de volgend deelnemer - die eigenlijk verbonden is met de onderzoekers - kort volgens een script te vertellen over wat zij tijdens de taak hadden moeten doen. Sommige proefpersonen kregen 1 dollar voor het uitvoeren van dit script terwijl andere proefpersonen twintig dollar kregen. Uiteindelijk moesten alle deelnemers hun oordeel over hoe zij dit vertellen aan de volgende proefpersoon hadden ervaren. De resultaten waren dat de deelnemers die alleen maar 1 dollar gekregen hadden, deze taak positiever beoordeelden dan diegenen die twintig dollar gekregen hadden. De reden was dat de deelnemers in de een-dollar-conditie significant meer cognitieve dissonantie ervoeren, omdat zij een valse positieve rapportage over de ervaring gegeven hebben, terwijl het eigenlijk een vervelende taak is voor zo weinig geld. De twintig-dollar deelnemers hadden meer geld gekregen, waardoor ze hun gedrag makkelijker konden rechtvaardigen zonder met een alternatieve verklaring te hoeven komen, De een-dollar deelnemers moesten hun cognitieve dissonantie verminderen door hun echte mening over de ervaring aan te passen.

Stanley Milgram en gehoorzaamheid
Stanley Milgram was geïnteresseerd in de experimentele psychologie van Asch, Hij verving de onderscheid-taak door een gehoor-taak. Hij wilde als eerste toetsen hoe individuen zich in hun eentje gedragen, om het basisniveau van hun gehoorzaamheid vast te stellen en om te bepalen hoe groepsdruk de meegaandheid kan laten toenemen. In een laboratorium werden twee deelnemers bij elkaar neergezet. Er werden kaarten getrokken om te bepalen wie de leraar en leering zou zijn. Echter, op beide kaarten stond leraar. De medeplichtige zei altijd dat hij de kaart met leerling had getrokken, waarna hij in een cel geplaatst werd waar hij de leraar niet kon zien, maar ze konden nog wel met elkaar communiceren. Aan de arm v.d. leerling werd een elektrode vastgemaakt, waarbij er gezegd werd dat die verbonden was met de schokgenerator. In het experiment leest de leraar een lijst met gespaard woorden voor, en toetst hij de leerling door het eerst woord van het paar op te noemen, en de leerling te vragen om het tweede bijbehorende woord op te noemen. De leraar werd geïnstrueerd om bij elk onjuist antwoord een schol te geven. Hoe meer fouten, hoe heftiger de schok zou worden. De leerling was geïnstrueerd om veel foute antwoorden te geven, en het doel v.d. onderzoeker was om te kijken hoe de leraar zou reageren op het geven van straf. Na verloop van tijd zou de leerling tekenen van pijn en lijden geven, door bijv, op de muren te slaan. Als de leraar twijfelde of aan de onderzoeker vragen stelde over wat er aan de hand was, dan reageerde de onderzoeker met autoritaire commando's dat diegene gewoon moest doorgaan.
Schokkende resultaten
Uit de resultaten bleek dat bij iedereen na de eerste kreten van pijn gewoon schokken bleef toedienen. 2/3 v.d. deelnemers gingen door tot aan de allerzwaarste schokken. Uit de resultaten bleek dus dat normale deelnemers instructies van een betrouwbaar (vaak autoritair) iemand zouden opvolgen, zelfs als ze daarbij een onschuldig persoon extreem veel pijn deden. De tweede ontdekking die Milgram deed was dat er in het experiment enorme druk en spanning ontstond bij de proefpersonen, wat zich uitte in veel zweten, trollen en stotteren en zelfs ongecontroleerd lachen. Milgrams experiment was een demonstratie van de kracht van hoe een bepaalde situatie het sociale gedrag van individuen kan beïnvloeden. Dit zorgt ervoor dat ze zich drastisch anders gedragen dan ze normaal gedaan zouden hebben. Zelfs de meeste normale mensen kunnen zich in een bepaalde situatie anders gedragen en dingen doen die ze normaal nooit zouden doen. De kracht v.d. situatie en de bijbehorende sociale verwachtingen wegen vaak zwaarder dan de persoonlijk aanleg.

H9. Psychologie als de wetenschap van gedrag

Het begin voor Ivan Pavlov
Ivan Petrovich Pavlov was geïnteresseerd in de aangeboren en reflexieve speekselreacties bij honden, die hij eerst psychische afdeling noemde. Het ging hierbij om speeksel dat automatisch en onvrijwillig ontstond zodra er voedsel in de buurt was. Pavlov zag dat wanneer honden aan de routine van het laboratorium gewend waren geraakt, ze begonnen met kwijlen zodra ze de onderzoeksruimte binnenkwamen.
Pavlov's afkeer v.d. psychologie
Pavlov zag zichzelf als fysioloog en wilde niet met de psychologie geassocieerd worden. Na het lezen van Sechenov's boek raakte hij geïnspireerd genoeg om zijn onderzoek in zuiver fysiologische terminologie te definiëren. hij noemde de psychische afscheiding geconditioneerde reflexen. Aangeboren reflexen noemde hij ongeconditioneerde reflexen.
John Broadus Watson
Ondanks dat Pavlov een hekel had aan de psychologie, waren er wel psychologen die interesse toonden voor zijn werk. Een van die geïnteresseerden was Watson. Hij beweerde dat het onderwerp van psychologie het objectieve, observeerbare gedrag was en niet de traditionele geest en het subjectieve bewustzijn. Geïnspireerd door de geconditioneerde reflex van Pavlov, werd hij de grondlegger van het behaviorisme.
Pavlov in zijn jongere jaren en carrière
Als arme, maar begaafde student begon Pavlov aan de universiteit van St. Petersburg fysiologie te studeren. Daar richtte hij zich op de nieuwe mechanistische fysiologie en al snel stond hij bekend als een uitzonderlijk nauwkeurige onderzoeker die zelfs doctorale studenten hielp om hun diploma te behalen, nog voordat hij zijn eigen diploma haalde in 1883. Niet dat hij gelijk aan de slag kon: banen in het uitvoeren van onderzoek waren zeldzaam. Pas na zijn veertigste werd hij professor aan de St. Petersburg militair-medische academie, waar hij zijn eigen laboratorium opzette om zijn droom na te streven: het uitvoeren van een experimentele studie naar de fysiologie van de spijsvertering.
Het laboratorium v. Pavlov
Pavlov stond erom bekend dat hij twee verschillende kanten had, afhankelijk van zijn omgeving. In zijn persoonlijke leven stond hij bekend als naïef, maar in het laboratorium was hij compleet het tegenovergestelde. Daar was hij strikt: zijn dieren moesten goed gevoed worden en het laboratorium moest altijd goed uitgerust zijn. Het opvallende aan zijn laboratorium was de organisatie ervan. Ondanks dat hij moeite had met het organiseren van zijn persoonlijke leven, lukte dit in zijn laboratorium heel goed. Experimenten werden systematisch uitgevoerd en herhaald. Nieuwe werknemers kregen nooit een nieuw of onafhankelijk project toegewezen, maar moesten altijd de bestaande experimenten opnieuw toetsen. Als de nieuwe en de oude resultaten overeenkwamen, mocht de nieuwe werknemer aan een nieuw project beginnen. Systematisch werken was er bij Pavlov al jong ingestampt, en dat was ook wat hij anderen aanleerde: het systematisch werken bij het vergaren van kennis.
De fysiologie v.d. spijsvertering
In zijn lab begon hij met het bestuderen van de werking v.d. spijsvertering. Dit was een lastig uit te voeren onderzoek, vooral doordat de betrokken organen erg kwetsbaar zijn. Deze organen functioneerden bij een operatie niet zoals ze dat normaal doen. Hierdoor kon de werking niet gemakkelijk onderzocht worden. Het observeren v.d. organen had dus slechts beperkte wetenschappelijke waarde. geïnspireerd door een eerder uitgevoerd 'natuurlijk experiment', wist Pavlov toch een grote bijdrage te leveren aan de studie v.d. functie v.d. spijsvertering in werken.
Een gat in de maag
In het eerder uitgevoerde natuurlijk experiment was een Frans-Canadese pelsjager door een wondschot in zijn maag. Zijn dokyer Beaumont wist hem weer op been te krijgen, maar in zijn maag bleef wel een gat zitten, dat snel als raam functioneerde. Beaumont kon zo direct observeren wat er in de maag gebeurde wanneer het voedsel verteerde. Daarnaast kon hij er instrumenten insteken, om substanties te verzamelen, te meten en te analyseren. Pavlov besloot de observaties van Beaumont te repliceren, maar dan op een meer selectieve controleerbare manier. Dit deed hij door op chirurgische wijze openingen (fistulas) in verschillende delen van de spijsvertering v.d. hond te creeren. Velen hadden dit al eerder geprobeerd maar alleen Pavlov was hier succesvol in, om twee redenen 1. Hij was een ongewoon succesvolle chirurg die een hekel had aan bloed en dit dus zoveel mogelijk probeerde te vermijden 2. Hij was een van de eersten die de waarde van antiseptische chirurgie inzag, om infecties en het sterven van zijn dieren zoveel mogelijk te voorkomen.
Geconditioneerde reflexen
De studie van Pavlov bestond uit systematisch manipuleren van de vier basiscomponenten v. een geconditioneerde reflex: de ongeconditioneerde stimulus (US), de ongeconditioneerde respons (UR), de geconditioneerde stimulus (CS) en de geconditioneerde respons (CR). Een US en een UR vormen samen de ongeconditioneerde reflex, een aangeboren en automatische reactie die niet het gevolg is van conditionering of leren.
Stimulus-responsconnectie (geconditioneerde reflex)
Pavlov merkte dat een typische geconditioneerde stimulus eerst neutraal is, dus dat deze geen specifieke reactie uitlokt. Nadat de US stimulus echter een aantal keer tegelijk aangeboden wordt met de CS (er dus aan gekokppeld wordt) verwerft deze stimulus de eigenschap om een reactie uit te lokken. Voor de hond was het zien van de verzorger of de onderzoekruimte de CS die regelmatig gevold werd door de US; voedsel of zuur in de mond. De neutrale stimulus lokte al snel speeksel bij de honden uit zonder dat er daadwerkelijk voedsel gegeven werd. Dit werd dus de stimulus-responsconnectie die Pavlov de geconditioneerde reflec noemde. Uit een ander experiment waar het tijdsinterval tussen een CS en US gevarieerd werd, bleek dat de conditionering het snelst was als het interval kort was. Een ander experiment toonde de hogere-volgorde conditionering aan. Hierbij werd de sterk geconditioneerde speekselreflex aan een andere stimulus (zoals een bel) gekoppeld, waarna die als US functioneerde, om vervolgens weer gekoppeld te worden aan een ander CS (zoals licht). Zo ontstond er een reeks geconditioneerde reflexen.
Generalisatie
Andere experimenten toonden aan dat geconditioneerde reflexen ook uitgelokt konden worden door een stimulus die alleen maar lijkt op de originele geconditioneerde stimulus. Dit noemde Pavlov generalisatie. Als in een training een toonhoogte de geconditioneerde stimulus is. en er daarna een ietsje hoger toonhoogte opgezet werd, dan zou nog steelds de geconditioneerde reflex voorkomen, maar dan wel minder sterk dan bij de originele stimulus, Hoe groter het verschil tussen de geconditioneerde stimulus en de teststimulus, hoe zwakker de gegeneraliseerde respons.
Differentiatie
Als een niet vergelijkbare stimulus herhaaldelijk gepresenteerd werd, maar niet versterkt met de ongeconditioneerde stimulus, dan zou de respons afnemen en zelf verdwijnen. Dit noemde Pavlov differentiatie. Dit is een vorm van leren waarbij de hond erachter komt dat bepaalde stimuli, toch wel verschillend zijn. De hond leert ze onderscheiden.
Experimentele neuroses
Ook kwam Pavlov met de experimentele neuroses. Nadat een reactie eerst gegeneraliseerd werd, om vervolgens weer gedifferentieerd te worden, dan deze het later niet opnieuw gegeneraliseerd worden. Het dier zal dan een experimentele neurose ervaren. Dit is een reactie die voorkomt wanneer dieren geconfronteerd worden met een onvermijdelijk conflict tussen twee sterke, maar onverenigbare geconditioneerde responsen. Als een hond bijv. niet kan kiezen tussen wel of niet kwijlen, dan kan hij een experimentele neurose ervaren. Hierbij probeert het dier bijvoorbeeld verwoed te ontsnappen en blijft nog lang onhandelbaar. Op basis van die idee ontwikkelde Pavlov een theorie over het functioneren van het brein.

Pavlov's theorie van het brein
Volgens Pavlov worden geconditioneerde reflexen gemediteerd door connecties tussen sensorische en motorische zenuwen in het ruggenmerk en de lagere breingebieden. Geconditioneerde reflexen zijn gelokaliseerd in de cortex. Pavlov suggereerde dat verschillende geconditioneerde stimuli ook verschillende specifieke gebieden in de cortex activeren. Vergelijkbare stimuli liggen dichter bij elkaar, Als er conditionering plaatsvond, dan konden twee verschillende processen in die breinlocaties gestart worden: 1. excitatie leidt tot het verwerven of generaliseren van geconditioneerde reacties en 2. inhibitie zorgt ervoor dat een respons onderdrukt wordt. Exciterende processen in het corticale gebied komen voor als de gepresenteerde stimulus door een ongeconditioneerde stimulus versterkt wordt. Inhiberend processen vonden plaats als de versterking niet plaatsvond. Ook was Pavlov van mening dat excitatie en inhibitie zich kunnen verspreiden. Dit is niet bewezen. Als er bij generalisatie een vergelijkbare alternatieve stimulus getoond werd, dan vond er in het coricale gebied excitatie plaats, dichtbij de locatie v.d. originele geconditioneerde stimulus. Daarom werd er dan een reactie uitgelokt. Dit gebeurt ook bij differentiatie, maar dan is er juist sprake van inhibitie.

Watson in zijn jongere jaren en carrière
Watson wordt gezien als de vader van het Amerikaanse behaviorisme. Bijna was hij door druk vanuit zijn familie predikant geworden, maar door het overlijden van zijn moeder en een kleine misstap op de universiteit, besloot hij om toch verder te studeren. Hij had moeite met de filosofische en introspectieve aspecten van psychologie, maar kon zich helemaal vinden in het bestuderen van dieren. Hij voelde zich aangetrokken tot het werk van Jacques Loeb, een mechanistisch bioloog, en Henry H Donaldson, een neuroloog. Ondanks dat Watson moeite had met de traditionele psychologie, werd hij toch bekend in dit gebied.

De vader van het behaviorisme
Omdat Watson zich niet de traditionele psychologie kon vinden, besloot hij dit veld te herdefiniëren tot het behaviorisme. Hij verklaart zichzelf op drie manieren onafhankelijk v.d. traditionele psychologie:
De behavioristische psychologie moest volledig objectief zijn. Subjectieve data of interpretaties in termen van bewuste ervaringen pasten hier niet bij. In de traditionele psychologie maakte men namelijk alleen gebruik van objectieve observaties om introspectieve data aan te vullen.
Het doel van psychologie was niet het beschrijven en verklaren maar het voorspellen en controleren van observeerbaar gedrag. De tarditionele psychologie maakte onderscheid tussen mensen en dieren. Dit onderscheid ontkende Watson. Overeenkomsten waren volgens hem ook belangrijk.
Watson ondervond wel problemen bij het toepassen van de behavioristische principes. Ondanks dat hij tegen introspectie als psychologische methode was, wist hij geen vervangende methode die beter was. na het lezen van geconditioneerde reflexen, in het werk van Pavlov en Vladimir M. Bechterev, probeerde hij ook op experimentele wijze mensen te conditioneren. In zijn boek Behavior schreef Watson dat beelden en gedachten bestudeerde konden worden met verbeterde methodes van introspectie
Het verschil tussen Pavlov en Watson
Het verschil tussen Pavlov en Watson is dat Pavlov meer geïnteresseerd was in het brein dan in het gedrag. Watson was eerder opzoek naar een algemeen principe, dat op veel verschillende soorten gedrag toepasbaar was. Hij zag de geconditioneerde reflex als een model voor een verscheidenheid aan reacties. Hij suggereerde dat menselijke emoties gezin konden worden als klier- en spierreflexen. Emoties konden dan dus geconditioneerd worden. Als dit zo echt zo was, dan had de Pavloviaanse conditionering een behavioristische, niet introspectieve methoden gevonden om de meest ingewikkelde onderwerpen en objecten in de psychologie te kunnen bestuderen.

Geconditioneerde emotionele reacties
Watson beperkte zich in zijn eerste boek tot het vergelijken van dieren. In zijn tweede boek concentreerde hij zich op het menselijke gedrag. Geconditioneerde reflexen speelden een grote rol in zijn boek. Hij begon met zich af te vragen welke emotionele reacties aangeboren en ongeconditioneerd waren. Om deze vraag te beantwoorden, bestudeerde hij baby's die nog geen tijd hadden gehad om geconditioneerde reactie te verwerven. Hij concludeerde dat er drie soorten ongeconditioneerde emotionele reacties waren, elk geproduceerd door een klein aantal stimuli:
- Angst, 1. een plotseling en onverwacht geluid 2. het verlies van ondersteuning (bijv. baby plotseling laten vallen)
- Woede, uitgelokt door het belemmeren van de beweging v.d. baby
- Liefde, uitgelokt door manipulatie of het strelen van erotische zones, kietelen, het zacht weigen, kloppen of de baby zo omdraaien dat hij op zijn buik lag.
Volgens Watson waren alle andere reacties zoals angst in het donker of liefde voor de moeder geconditioneerd. In 1919 toen hij zijn boek schreef, had hij geen empirische bewijs voor deze theorie. Het leek aannemelijk, maar hij had nog nooit gezien hoe een emotionele reacties geconditioneerd werd.

Vocale en sub-vocale verbale reacties
Watson was van mening dat er zoiets als onbewust denken bestond, maar niet als de mysterieuze metafysische entiteit die door de psychoanalyst beschreven werd. Hij begon met het definiëren v.d. bewuste gedachte als zijnde een verzameling vocale of sub-vocale verbale reacties. met andere woorden: bewuste denkers praten letterlijk tegen zichzelf. Elke verbale reactie dient als stimulus om een nieuwe reactie op te roepen. Deze nieuw uitgelokte reacties hoeven niet verbaal te zijn, maar kunnen ook visceraal of kinesthetisch zijn en kunnen emotionele reacties inhouden. De non-verbale reacties dienen als schakels bij het denken en roepen zo hun eigen verbale of non-verbale reacties op. Ze functioneren dus als belangrijke, met emotie beladen delen van het denkproces, maar omdat ze non-verbaal zijn worden ze niet als bewust ervaren.

Behaviorism
In zijn boek Behaviorism presenteerde Watson een casus voor radicale omgeving. Dit is een perspectief waarbij de omgevingsfactoren als belangrijker gezien worden in het bepalen van gedrag, dan erfelijkheid. In zijn eerdere theorie over emoties, suggereerde Watson al dat childlessness emotionele reacties het gevolg waren van conditionering, gebaseerd op drie simpele aangeboren reflexen. Nu suggereerde hij dat dit ook voor alle andere aspecten van de persoonlijkheid v.d. mens zo was. De aangeboren factoren worden snel aangepast en ontwikkeld door middel van conditionering en ervaring. Eigenschappen zoals talent, temperament en karaktereigenschappen worden niet geërfd, maar verworven. Controle van de ouders vond hij erg belangrijk, gezien zij hun kinderen konden vormen.

Systematische desensitisatie
Nu Watson wist dat emotionele reacties gecreëerd konden worden, wilde hij ook weten of hij ze kon verminderen of zelfs laten verdwijnen. Samen met Mary Cover Jones probeerde hijd it uit. Jones toetste het idee bij een kind (Peter), dat angst voor konijnen toonde. Elke keer wanneer het konijn getoond werd, zorgde ze er ook voor dat er een plezierige stimulus (snoep) aanwezig was. Het konijn werd langzaam, in de aanwezigheid van het snoep, richting Peter geduwd totdat hij uiteindelijk met het dier kon spelen zonder angst te tonen. Deze procedure noemde Jones directe conditionering. Ook andere kinderen die niet bang waren voor konijnen werden bij de procedure betrokken. Uiteindelijk bleken de directe conditionering en sociale imitatie effectief te zijn. Dit was de eerste succesvolle demonstratie van systematische desensitisatie.

Logische positivisme
Ook psychologen zoals Edward Chace Tolman en Clark Hull hebben het voorbeeld van Watson opgevolgd. Zij probeerden echter o.i.v. een filosofie, ook wel bekend als het logische positivisme, theorieën over gedrag af te leiden en te toetsen. Bij logische positivisme werd geprobeerd om niet-observeerbare constructen, zoals motivatie, naar observeerbare constructen te vertalen.
Ratten in een doolhof
Tolman is het meest bekend voor zijn experiment met doolhoven. waar hij het concept latent leren demonstreerde. In dit experiment plaatste Tolman een groep ratten in het doolhof en liet ze daar vrij rondlopen. Een tweede groep ratten mocht ook vrij rondlopen, wanneer zijn succesvol door het doolhof wisten te navigeren, werden ze beloond met voedsel. Een derde groep ratten mocht ook vrij rondlopen, maar in eerste instantie zonder beloning. Pas op de 11e dag van het experiment werd voor deze groep een beloning geïntroduceerd. Als latent leren plaatsgevonden had, dan zouden de ratten in de derde groep minder navigatiefouten moeten tonen zodra de beloning geïntroduceerd werd. Dit was inderdaad wat gebeurde. Tijdens de eerste 10 dagen toonden de ratten uit de tweede groep fouten vergelijkbaar met de ratten uit de derde groep. De fouten die de ratten uit de tweede groep hadden getoond. namen gedurende de tien dagen af. Zodra de beloning in de derde conditie geïntroduceerd werd overtroffen de ratten uit de 3e groep de ratten uit de 2e groep, door snel door het doolhof te rennen.
Doelgericht behaviorisme
Deze experimenten gebruikten Tolman om zijn theorie over doelgericht behaviorisme te ondersteunen. Deze theorie houdt in dat alle gedrag gericht is. De positie van Hull gaat over het vaststellen van complexe wiskundige wetten waar leren neergezet werd in termen van specificeerbare relaties tussen operationeel gedefinieerd variabelen, zoals gewoonte, sterkte en stimulusintensiteit. Iemand anders die door Watson geïnspireerd raakte, maar die een andere positie innam dan het neobehaviorisme was BF Skinner.

Skinner en de operante conditionering
Geïnspireerd door een boek dat was geschreven door Betrand Russel, begon Skinner over Watson en Pavlov te lezen. Hierna besloot Skinner om behavioristisch psycholoog te worden. De Skinnerbox maakte het voor hem mogelijk om een ander soort geleerd gedrag, dat hij operante conditionering noemde, te bestuderen. Vier niet-geformaliseerde principes (gebruikt en ontdekt door Skinner) van wetenschappelijk praktijk leidden tot succes:
- Als je iets tegenkomt dat interessant is, laat dan alles vallen en bestudeer het.
- Sommige onderzoekmethoden zijn makkelijker dan andere onderzoekmethoden
- Apparaten kunnen soms defect raken
- Sommige mensen hebben geluk
Het leren in het dagelijks leven is meer dan het passief verwerven van reflexreacties. Organismen leren namelijk ook om actief hun omgeving te manipuleren en te controleren. Dit had Thorndike met zijn kippen al eerder gedemonstreerd.
De Skinnerbox
De Skinnerbox was een kooi voor een witte rat met een hefboom aan de wand, met daarnaast een dienblad. het dienblad was verbonden met de hefboom. Wanneer de hefboom ingedrukt werd, viel er voedsel op het dienblad. Ook was de hefboom verbonden met een pen en papier buiten de box. Het aantal keer dat de hefboom ingedrukt werd, werd weergegeven in een curce op papier. De cumulatieve curve is dus het totale aantal keer dat de hefboom  ingedrukt werd. Skinner varieerde ook de specifieke condities waarin de reacties v.d. rat wel of niet met voedsel versterkt werden. De uitdovingscurve ontdekte Skinner per toeval, toen de voedsel dispenser vastliep. Eerst bleef de rat snel op de hefboom drukken, gedeeltelijk omdat hij gefrustreerd was omdat hij niks meer kreeg. na een paar minuten nam de snelheid van drukken op de hefboom af totdat de rat uiteindelijk helemaal niet meer drukte en de curve dus ook verdween.
Versterkingsschema's
Er zijn vier versterkingsschema's. In een vaste-interval versterkingsschema krijgt de rat bijv. om de 3 min een  versterking. In een vaste-radio versterkingsschema krijgt de rat alleen een versterking na een bepaald aantal reacties, bijv nadat hij 4x op de hefboom gedrukt heeft. Bij het variabel interval en het variabel-ratio versterkingsschema werd de tijd of het aantal reacties gevarieerd. Hierbij ontstaat een soort constante hoop dat de volgende respons dan wel beloond zal worden. In deze conditie gingen de ratten veel langer door met reageren nadat er geen beloning meer werd gegeven.

H8. Psychologie in Amerika

Tijdens de conferentie in München in 1896 werd het duidelijk dat psychologie als een gerespecteerde wetenschappelijke en academische discipline gezien werd. De twee professoren die daar verantwoordelijk voor waren hier niet bij: Wilhelm Wundt en William James. Ironisch genoeg, ondanks de bijdrage van beide professoren aan het creëren van een intellectueel klimaat, waardeerden de professoren elkaars werk niet. Wundt vond weinig nieuws of origineels in James, behalve zijn stijl, die Wundt persoonlijk en informeel noemde. De reden dat Wundt niet zo te spreken was over het werk van James was voor een deel dat het James ook kritiek had op het werk van Wundt. De oorzaak hiervan lag in het feit dat het James twaalf jaar gekost had om zijn door Wundt bekritiseerde boek "The principes of Psychology" te schrijven. De twee professoren hadden ieder een eigen stijl en stonden achter verschillende vormen van psychologie, maar waren toch twee van de meest invloedrijke professoren.

James' vroege leven
William James was geboren in New York. Hij was het oudste kind en afkomstig uit een rijke familie. Tijdens zijn kinderjaren en adolescentie verhuisde hij regelmatig met zijn familie door Europa en Amerika. Zijn vader, Henry James sr., had een onrustige leven geleden en ervoer regelmatige angstaanvallen. Nadat hij hersteld was richtte hij zich op het onderwijzen van zijn kinderen en zocht hij naar de beste plek om dat te doen. Ondanks dat hij deze plek nooit heeft gevonden, bleven alle vier de kinderen zeer gemotiveerd om te studeren.

James carrière
James had een talent voor tekenen en kunst, maar omdat dit door zijn vader werd afgekeurd werd hij in 1861 naar Harvard gestuurd om chemie studeren. Op Harvard verschoof hij aandacht van chemie naar fysiologie en schreef zich in 1864 in op de medische school. Een jaar later onderbrak hij zijn studie om op een expeditie te gaan, begeleid door Louis Agassiz. Agassiz was een bioloog en een v.d. meest uitgesproken critici van Darwin's boek 'Origin of Species'. Tijdens deze reis kwam hij erachter dat biologie toch niet geschikt voor hem was en keerde hij terug naar huis.

James naar Duitsland
James overtuigde zijn vader in 1867 om hem naar Duitsland te laten gaan, o.a. voor de minerale baden die goed waren voor zijn rug. Maar na een reeks gebeurtenissen in 1870 ervoer hij ook zijn eerste angstaanval en hij had moeite zich daarvan te herstellen. Todat hij in 1870 een artikel las over de vrije wil, geschreven door de Franse filosoof Charles Renouvier. Hierdoor ging hij in de vrije wil geloven. Ook een artikel over gewoontes geschreven door de filosoof en psycholoog Alexander Bain maakte indruk op James.

James en het pragmatisme
Het geloven in de vrije wil bevrijdde hem van zijn intellectuele remmingen en zorgde er voor dat hij de psychologie en mechanische fysiologie serieuzer nam. Hij ontdekte dat hij mechanische ideeën wetenschappelijk serieus kon nemen, zonder dat hij ze persoonlijk volledig accepteerde. Hij besloot ideeën te evalueren op basis van hun bruikbaarheid binnen gespecificeerde en beperkte contexten. Vrije wil is bijv. in zijn persoonlijke leven een bruikbaar concept. Daarom accepteerde hij het als 'waar'. Determinisme zou ook waar kunnen zijn wanneer hij in zijn rol als wetenschappers stond. De evaluatie van relativistische ideeën aan de hand van variërende bruikbaarheid in variërende situaties werd het kenmerk van William's algemene filosofie die hij pragmatisme noemde.

James als docent
James behandelde zijn studenten als intellectuele gelijken en was dan ook erg geliefd. In het begin varieerden zijn interesses, maar toen hij aan zijn boek "The principles of psychology" werkte, besloot hij om zich op psychologie te richten. Men zegt ook wel een dat Wundt psychologie binnen de universiteit had gebracht voor de specialisten, maar James maakte van psychologie een levend onderwerp voor een ieder die er voor koos om erover te lezen of ernaar te luisteren.

De principes van psychologie
Over een tijdsspanne van 12 jaar schreef James zijn boek, maar hij is er nooit echt tevreden over geweest en concludeerde al snel dat 1) er niet zoiets bestond als de wetenschap van psychologie en 2) dat hij onbekwaam was. Twee aspecten van zijn zelfkritiek waren gedeeltelijk correct: 1) zijn boek was enorm 2) psychologie werd als onsystematisch en incompleet neergezet. maar onbekwaam bleek James niet te zijn. Het werd al snel het meest vooraanstaande boek over de psychologie, waarin alle grote en belangrijke onderwerpen besproken werden. Hieronder wordt er een aantal aspecten uit zijn boek besproken.
De stroom van bewustzijn
Het meest bekende van James naar voren heeft gebracht was het hoofdstuk over de stroom van gedachten. In dit hoofdstuk discussieerde hij erover dat de inhoud van het menselijk bewustzijn beter vergelijkbaar was met een stroom dan een verzameling discrete elementen of ideeën. De Griekse filosoof Heraclitus had al eerder geobserveerd dat iemand niet 2x dezelfde stroom kon ervaren, omdat de stroom constant verandert. James kon zich in dit idee vinden. niemand kan 2x precies dezelfde sensatie, hetzelfde idee of een dezelfde ervaring doormaken. Elke nieuwe ervaring wordt gevormd en beïnvloed door eerdere ervaringen en doordat de achtergrond constant verandert, kunnen twee ervaringen niet precies hetzelfde zijn. Ook geloofde James dat bij gedachten en een stroom allebei sprake was van bewustzijn. Een subjectief gevoel van continuïteit blijft behouden, ook al gaat iemand slapen en wordt diegene pas later weer wakker. James was van mening dat het onverstandig is om de stroom van gedachten te analyseren in termen van elementen. Een echte gedachte kan niet "stilgezet" worden om vervolgens analytisch bestudeerd te worden, zonder dat er schade toegebracht wordt aan de werkelijke aard v.d. gedachte. Voor James bracht psychologie de studie van dynamische en constant veranderde bewustzijnsprocessen met zich mee.
Gewoonte ('habit')
In dit hoofdstuk besprak James de invloed v. gewoonteresponsen voor de handhaving van de maatschappij. Hij was van mening dat gewoonte als het vliegwiel v.d. maatschappij functioneerde en het een waardevol middel is voor behoud van deze maatschappij. Nadat James de onvermijdelijk en de kracht van menselijke gewoontes benadrukt had, besprak hij ook zijn eigen ervaringen in combinatie met de ideeën van Bain. De wetten van gewoontevorming zijn onpartijdig, dus in staat om zowel moreel goede als slechte handelingen te produceren. Als er eenmaal een goede of slechte handeling in gewoonte gevestigd raakt, dan is dit niet geheel onomkeerbaar, maar wel lastiger dan eerst.
Emotie
Bij dit hoofdstuk betrok James zijn ervaringen met angstaanvallen. Hij introduceerde hij een van zijn zeldzame theoretische bijdrages aan de psychologie. Volgens James is emotie het gevolg en niet de oorzaak v.d. lichaamsveranderingen die geassocieerd worden met de expressie. Volgens hem voelen we spijt omdat we huilen, en voelen we woede omdat we aanvallen, en voelen we angst omdat we trillen. De Deense fysioloog Carl Lange publiceerde een soortgelijk perspectief en was ook van mening dat emoties de perceptie van lichaamsreacties representeren. Dit wordt de James-Lange theorie v. emotie genoemd. Tegenwoordig zijn er wel wat beperkingen van deze theorie bekend. Toch is de theorie niet geheel onbruikbaar.
De wil
James definieerde een vrijwillige actie als een actie die vergezeld wordt door een subjectief gevoel van mentale inspanning of aandachtige inspanning. Aandachtige inspanning is het essentiële fenomeen v.d. wil. Hij vroeg zich af of het subjectieve gevoel van inspanning om aandacht te richten een compleet mechanistisch gevolg is van het denkproces, of dat er een aantal niet mechanistische en niet voorspelbare invloeden zijn. Wetenschappelijke psychologie kan zich meer in het eerste vinden, terwijl de persoonlijke subjectieve ervaringen het tweede meer ondersteunen.

James overtuigingen met betrekking tot vrije wil
Volgens James moest de wetenschap altijd deterministisch zijn en vrije wil paste niet binnen de wetenschap. Ook geloofde hij niet dat het mogelijk was om alle antwoorden te halen uit de wetenschap en de psychologie. Daarom wanneer hij niet in zijn rol als psycholoog was maar als een morele filosoof of mens, nam hij met behulp van de vrije wil een overtuiging aan. Dit was de essentie van de psychologie van James. Deze attitude paste bij de overtuiging van James: zijn besluit om in de vrije wil te geloven was pragmatisch, adaptief en correct omdat het werkte. Later paste hij de pragmatische criteria onbewuste toe op psychologische theorieën, kijkend naar de bruikbaarheid in specifieke contexten. James nam de term pragmatisme over om zijn filosofie te definiëren, maar hij breidde de benadering uit zodat deze ook emotionele, ethische en religieuze ideeën kon bevatten, evenals wetenschappelijke theorieën.

Drie studenten van James: Hall, Calkins en Thorndike
G. Stanley Hall
Hall studeerde in 1867 af aan het Williams College, In die tijd hing in New York de controversiele theorie van Darwin in de lucht, die aantrekkelijker leek te zijn dan theologie. Hierna studeerde hij in Duitsland filosofie en fysiologie, samen met Du Bois-Reymond. Toen hij op Harvard les ging geven ontmoette hij William James en werd door hem aangemoedigd om te experimenten met de rol van spiersignalen in de perceptie van ruimte. In 1878 reisde Hall naar Leipzig en werd hij de eerste Amerikaanse leerling van Wundt. Teruggekeerd in Cambridge begin hij weer les te geven. Dit was op twee manieren belangrijk voor hem: ten eerste richtte hij zijn aandacht op de problemen van ontwikkelingspsychologie en pedagogiek en ten tweede trokken zijn colleges de aandacht van de president van de John Hopkins University in Baltimore. Hopkings zorgde dat Hall een onderzoekslaboratorium kreeg en in 1887 richtte Hall de 'American Journal of Psychology' op. Na deze twee successen ging hij naar Massachusetts waar hij de rest van zijn leven bleef.
De invloed van Hall
Hall is dus de meest belangrijke oprichter van laboratorium, afdelingen, journalen en professionele verenigingen. Hierin lijkt hij meer op Wundt dan op James. Maar in zijn onderzoek lag hij dichter bij de functionele en praktische traditie van James. Zijn innovatieve werk draaide om psychologie, pedagogiek en evolutionaire theorie. Hall kwam met de Darwiniaanse theorie over kinderontwikkeling. Volgens deze theorie doorloopt een individu de intellectuele, emotionele en algemene psychologische ontwikkeling parallel aan de fases die onze voorouders in de evolutie doorlopen hebben. Van het kruipen tot aan het lopen van een kind herhaalt de evolutionaire volgorde zich en leidt tot de moderne menselijkheid. Hij leidde de Child study movement en maakte hierbij veel gebruik van vragenlijsten. Dit perspectief wordt tegenwoordig niet meer zomaar geaccepteerd, maar het vormde wel het begin van de ontwikkelingspsychologie. Hall kon maar moeilijk opschieten met zijn collega's en hij keerde zich regelmatig tegen hen. E.G. Boring schreef over Hall en James dat ze elkaar waardeerden, maar dat ze allebei verschillende paden aan het bewandelen waren. Toch hebben zijn collega's (Wundt, Freud, James) het aan hem te danken dat hun ideeën in Amerika verspreid werden.

Mary Whitkon Calkins
Calkins is in een intellectueel stimulerende omgeving opgegroeid en studeerde af aan Smith College. Calkins solliciteerde vervolgens voor de baan om experimentele psychologie te gaan geven en had niets anders te bieden dan een interesse in het onderwerp. Doordat er geen betere kandidaten solliciteerden, werd ze aangenomen. Het enige probleem was dat ze een vrouw was. Uiteindelijk zocht ze contact met een van de Harvard professoren, die diep onder de indruk van haar was. Daar ontmoette ze ook James. Samen met Royce, de Harvard professor, nam hij het met success voor Calkins op zodat zij aan de universiteit les zou kunnen geven. Ondertussen, tijdens haar studie met James kreeg ze ook advies van Edmund C. Sandford over hoe ze een psychologisch laboratorium kon uitrusten. Sandford hielp Calkins om een laboratorium voor de universiteit te plannen.
Calkins werk
Samen met Sanford werkte Calkins aan een experimentele studie over dromen, die uiteindelijk ook gepubliceerd werd. Door Calkins ontstond de 'paired-associates technique'. Ze presenteerde kaarten met stimuli bestaande uit cijfers gekoppeld aan kleuren. Nadat ze een aantal keer en om zo te toetsen of men zich de bijbehorende cijfers kon herinneren. Ze toonde aan dat cijfers die met levendig kleuren geassocieerd waren beter herinnerd konden worden dan met neutrale kleuren, maar dat de belangrijkste bepalend factor voor het herinneren simpelweg de frequentie van de blootstelling is. Ook ontwikkelde Calkins een invloedrijke psychologie van de zeld. Calkins zag de zelf als een actief, leidend en doelgericht middel, aanwezig in alle bewuste handelingen en essentieel voor elk compleet introspectief rapport. Ze was van mening dat de bewuste zelf het basisonderwerp in de psychologie is en verdedigde deze positie tegen de behavioristen en de Gestaltpsychologie.
Voorloper v.d. persoonlijkheidstheorie
Ondanks dat het geformuleerd is in termen van een introspectieve experimentele psychologie die in deze tijd niet meer uitgevoerd wordt, was de zelfpsychologie van Calkins de voorloper van de persoonlijkheidstheorie van Gordon W allport. Samen met Ladd Franklin en Washburn heeft Calkin de weg voor vrouwen om af te studeren makkelijker gemaakt, nadat zij de eersten waren die de toestemming kregen om af te studeren.

Edward Lee Thorndike
Thorndike studeerde Engels en Franse literatuur aan Harvard. Het enige boek dat Thorndike vrijwillig kocht dat geen literatuur was, was het boek van James. Nadat hij dit gelezen had werd hij enthousiast over psychologie, waarna hij zijn aandacht volledig op psychologie richtte. Geïnspireerd door de beschrijvingen van C.Lloyd Morgan van experimenten die uitgevoerd waren bij kippen besloot hij dat het bestuderen van kippen hem relatief snel een titel kon opleveren. James die er weinig van begreep wat Thorndike wilde bereiken, stemde toe.
Thorndike's "Law of effect" 
Thorndike plaatste kippen in een hok en observeerde hoe en hoe snel ze leerden om de uitgang van het hok te vinden. Vervolgens verplaatste hij zijn aandacht van kippen naar katten en construeerde hij een puzzelbox. Uit deze puzzelbox kan een dier alleen ontsnappen als het een specifieke reactie geeft: het trekken aan een touw, het op een knop drukken enz. In moeilijkere boxen moesten de katten twee acties in een bepaalde volgorde uitvoeren om te kunnen ontsnappen. In zijn experimenten plaatste hij hongerige katten in de boxen en observeerde hij hun gedrag terwijl ze uit de box proberen te ontsnappen om voedsel te bemachtigen. Eerst vertoonden de katten, net als de kippen, trial-en-error gedrag totdat ze per ongeluk de juiste reactie gaven, maar na een aantal keer leerden de katten de juiste reactie en ontsnapten ze sneller. Thorndike suggereerde dat specifieke stimuli en reacties aan elkaar verbonden werden. Dit noemde hij de "law of effect". Deze wet verklaart dat wanneer iemand een gedraging uitvoert en er volgt een plezierige reactie op, de persoon deze gedraging vaker zal vertonen. Als iemand een gedraging vertoont en er een negatieve reactie op volgt, zoals straf, dan zal het gedrag afzwakken en zal het minder vertoond worden.
Transfer en training
in 1899 besloten Thorndike en zijn vriend Tobert Sessions Woodworth om de transfer of training te bestuderen. Dit is het effect instructies over en oefenen van een bepaalde mentale functie op de presentatie in een andere functie. Voor de rest van zijn carrière raakte Thorndike meer geinteresseerd in mensen dan in dieren. Ook concludeerde hij dat intelligentie niet afzonderlijke kwaliteit is, maar een combinatie van vele specifieke vaardigheden. Op basis van dat idee ontwikkelde hij intelligentietoetsen die vaardigheden toetsten op afgescheiden functies, zoals rekenen en vocabulaire. Hij was ook van mening dat deze componenten erfelijk zijn.
Thorndike als functionalist
Door al het geleverde werd van Thorndike werd hij als de leider van het functionalisme gezien. I.t.t. het structuralisme, waarbij men alleen de inhoud van bewuste ervaringen definieert en beschrijft, is men bij functionalisme gericht op de bruikbaarheid en het doel van gedrag. Het functionalisme legt de nadruk op individuele verschillen. Uiteindelijk bleken de theorieën over leren, onderwijs en erfelijke intelligentie van Thorndike veel te simpel te zijn. Later verloor het debat over structuralisme en functionalisme zijn noodzaak toen het behaviorisme opkwam.

H7. Het meten van de geest

London's International Health Exhibition of 1884 werd gekemerkt door een merkwaardige tentoonstelling, antropometrische laboratorium genaamd, die veel toeschouwers trok. Deze toeschouwers werd proefpersonen in dit laboratorium en ontvingen uiteindelijk wat vergelijkende informatie over zichzelf. De apparaten in het laboratorium testten de proefpersonen namelijk op verschillende manieren en gaven hen hun score en de gemiddelde score v.d. voorgaande proefpersonen

Een relatie tussen hersengrootte en intelligentie?
In die tijd werden deze tests gezien als mentale tests, om aspecten van intelligentie te meten. Vandaag de dag zien we dat intelligentie gebruikmaakt van 'hogere' mentale processen, zoals denken beredenering en logica. Toch beargumenteerde de maker van deze tests dat de mensen met de hoogte intellectuele mogelijkheden logischerwijs ook de krachtigste en meest efficiënte zenuwstelsels en hersenen moeten hebben. Hij dacht dat de vermogens van iemand brein mogelijk in relatie staan tot de grootte ervan. Dus de eerste test om de veronderstelde intelligentie te meten, was om iemands hoofdomtrek op te meten.

Een relatie tussen reactietijd en intelligentie?
Daarnaast dacht hij dat iemands neurologische doeltreffendheid gerelateerd moet zijn met de snelheid waarin deze persoon kan reageren op iets, daarom werd er ook een test van reactietijd gedaan. Hij geloofd in twee incorrecte, maar toen algemeen voor waar aangenomen vooroordelen, die volgens hem wezen op een grove correlatie tussen sensorische scherpheid en intelligentie. Het eerste vooroordeel was dat mensen met een verstandelijke handicap zowel een sensorische als intellectuele achterstand hebben. Het tweede vooroordeel stelde dat vrouwen over het algemeen minder intelligent zijn dan mannen en dat ze minder scherp kunnen waarnemen.

Aandacht voor individuele verschillen
Hechner's psychofysica had de beperkingen van het sensorische onderscheidingsvermogen onderzocht en Wundtiaanse mentale chronometrie-experimenten hadden de reactietijd zorgvuldig gemeten. Maar deze eerdere onderzoken richtten zich alleen op gevestigde, algemene psychologische principes die voor alle mensen gelden, tewijl individuele verschillen in scherpheid of reactietijd werden vermeden of afgewezen. De oprichter v.d. Anthropometric Laboratory ging uit van een Darwiniaanse kader waarin variabiliteit en aanpassing werd opgenomen. Individuele verschillen in scherpheid en reactietijd waren geen "fouten" of "onregelmatigheden" die vermeden werden, maar het basismechanisme van evolutie en daarom een belangrijk onderwerp van interesse.

Francis Galton
Francis Galton was de jongere neef en vriend van Charles Darwin. Hij was een nieuwsgierig persoon en was ontdekker, geograaf, meteoroloog en een biologische onderzoeker voordat hij zijn aandacht richtte op het meten van intelligentie en andere psychologische attributes. Veel van zijn psychologische ideeën bleken incorrect en te eenvoudig te zijn. Hij was echter wel de pionier die kwam met het idee dat tests gebruikt kunnen worden om psychologische verschillen tussen mensen te meten. Daarnaast leverde hij ook nog provocerende theorieën over de oorsprong van deze psychologische verschillen en beschreef controversiele sociale beleidsstukken met als doel de positieve psychologische kwaliteiten in de algemene populatie te bevorderen.
Galton's vroegere leven
Galton bereidde medicatie en pillen in een apotheek en kon de verleiding niet weerstaan om kleine hoeveelheden van zijn creaties op zichzelf te proberen. Hij zag dit als een interessante ervaring, maar zichzelf als testpersoon gebruiken had vanzelfsprekend ook nadelen. Galton volgde colleges aan Cambridge en raakte geïnteresseerd in de onderzoekprocedures van de universiteit. Hij studeerde in 1844 af aan Cambridge en raakte geinteresseerd in de onderzoekprocdeures van de universiteit. Hij studeerde in 1844 af aan cambridge en ging verder met medicijnen studeren in Londen. Zijn vader overleed in 1845 en liet Galton achter met een hoop geld. I.p.v. verder te studeren, begon Galton met jagen en gokken. Uiteindelijk in 1849 raadpleegde hij een frenoloog  voor een analyse (gebaseerd op de grootte van zijn hoof) van zijn natuurlijke capaciteiten, vaardigheden en voorkeuren. Het antwoord beviel Galton wel, want nu kon hij zijn middelmatige academische prestaties toeschrijven aan het gebrek van aangeboren wetenschappelijke bekwaamheid, i.p.v. zijn gebrek aan moeten en doorzettingsvermogen.
Galton's carrière
Na het ontdekken van een deel van Zuidwest Afrika (nu Nambie) kwam hij erachter dat hij een talent had voor het uitvoeren van precieuze metingen. Hij merkte dit toen hij op zijn expeditie een heliostat, sextant en andere landmeetkundige instrumenten gebruikte voor het maken van een zeer gedetailleerd en accurate kaart van het land, won Galton de Royal Geographical Society's gouden medaille in 1853, hetzelfde jaar dat hij het boek 'Tropical South Africa' publiceerde. Zijn succesvolle expeditie gaf hem toegang tot de bestuurscollege van de Geographical Society. In de toen jaar daarna hier hij zichzelf productief bezif met geografie, reizen en meterologie. Zo ontwikkelde hij onder andere een nieuw en verbeterd instrument voor geografische metingen en schreef in 1855 een handboek voor reizigers in de wildernis "The art of travel". In 1860 ontwikkelde Galton 's werelds eerste weerkaarten. hij ontdekte namelijk de patronen van hoge en lage drukgebieden. Alleen al hierdoor verdiende hij een plaats onder victoriaanse onderzoekers. Maar in het begin van 1860 vershoof zijn aandacht door de 'Origin of species' in weer een andere richting.
Darwins invloed op Galton
Alhoewel Darwin de mens niet beschreef in zijn 'Origin of species' had Galton snel de implicatie van deze theorie door, dat mensen net als andere soorten ook constant moet evolueren. hij geloofde tevens dat de meest onderscheidende menselijke variaties, die hoogstwaarschijnlijk de basis van toekomstige evolutie en ontwikkeling vormen, van nature intellectueel en psychologisch zijn. Vermoedelijk worden deze echter wel gemedieerd door kleine erfelijke verschillen in de structuur van de hersenen en het zenuwstelsel. De persoonlijk ervaringen van Galton deden hem ook al geloven dat individuele verschillen in intelligentie voornamelijk aangeboren moeten zijn. na het lezen van darwins boek besloot Galton om zijn voorliefde voor meten en tellen te gebruiken om dit probleem statisch te benaderen. Hij onderzocht de biografische woordenboeken en berekende zo dat mensen die belangrijk genoeg waren om hierin genoemd te worden, ongeveer een proportie van 1 op 400 in de normale populatie representeerden. Daarnaast onderzocht hij stambomen v.d. families van deze mensen en vond dat tien procent nog wel een familielid had dat in een biografische woordenboek genoemd werd. Hier was een concreet empirisch bewijs v.d. statistische neiging voor uitmuntendheid die in families heerst. Galton erkende dat dit bewijs afzonderlijk niet bewijst dat uitmuntendheid erfelijk is, want familieleden delen, naast erfelijkheid, ook vaak dezelfde omgeving.
Hereditary genius
Deze erfelijkheid-omgeving vraag leeft vandaag de dag nog steeds. Toch was Galton geïnteresseerd in de erfelijkheid in dit verhaal en presenteerde zijn bevindingen in het boek 'Hereditary genius' in 1869, waarin hij beweerde dat de natuurlijke vaardigheden van de mens zijn afgeleid van erfelijkheid, met exact dezelfde imitaties als de vorm en fysieke eigenschappen v.d. hele organische wereld. Dit boek leverde drie nieuwe argumenten ter ondersteuning van deze bewering, gebaseerd op de normaal verdeling van intellectuele kwaliteiten, de specifieke patronen van uitmuntendheid die Galton het meest observeerde, en de vergelijking van adoptieve versus biologische familieleden. over het algemeen zijn de drie bewijslijnen en Hereditary genius consistent met zijn erfelijkheidstheorie, maar zijn niet genoeg om definitieve conclusies te trekken. Desondanks slaagde hij in het duidelijk en grafisch in beeld brengen van zijn theorie, waardoor deze wel serieus genomen moest worden.

Eerste argument: de normaalverdeling
Galton stelde dat de metingen van intellectuele vaardigheden de neiging hadden om in statische distributies te vallen, op dezelfde manier als erfelijke fysieke eigenschappen. de Belgishce statisticus Adolphe Quetelet had eerder al laten zien dat metingen verkregen uit grote populaties, bijvoorbeeld van lengte of gewicht, in een klokvormige normaalverdeling vallen. Vandaag de dag is het bekend dat de normaalverdeling ook ontelbare variabelen karakteriseert die niet erfelijk zijn. Galton's observaties waren voornamelijk consistent met zijn stelling, zonder positief bewijs te leveren.

Tweede argument: Stambomen van geniën
Galtons tweede argument had een vergelijkbare beperking. Hij onderzocht de stambomen van twaalf groepen uitmuntende mensen en vond hierin twee algemene patronen. ten eerste, de uitmuntend familieleden van uitmuntend mensen neigen eerder nauw aan elkaar verwant te zijn: eerstegraads relaties (broers, zussen of ouder-kind) kwam 4x voor dan 3e graads relaties (overgrootouders, neven etc). Zelfs 3e graads relaties kwamen vaker voor dan verwacht zou worden op basis van toeval. Ditzelfde patroon werd gevonden bij fysieke eigenschappen. Vaders en zonen lijken bijvoorbeeld qua lengte meer op elkaar dan grootvaders en kleinzoons. Ten tweede Galton vond een imperfecte, maar duidelijke aanleg bij familieleden om uit te blinken in dezelfde gebieden. Iedere nakomeling van een uitmuntende ouder zal dan een proportie van de vereiste kwaliteiten voor uitmuntendheid in dat gebied erven, maar zal niet noodzakelijk even uitmuntend zijn. Het is echter wel belangrijk om in gedachte te houden dat hechte familieleden in een grotere mate dezelfde omgeving delen dan verre familieleden.

Derde argument: Onderzoek naar adoptieve vs. biologische familieleden
In 'Hereditary genius' erkende, maar minimaliseerde, Galton de mogelijkheid dat de omgevingsvoordelen binnen uitmuntende families mogelijk deze resultaten hebben kunnen helpen produceren. Hij gaat er vanuit "sociale voordelen niet voldoende zijn om een man met matige vaardigheden uitmuntend te maken". Hij stelde verder een onderzoeksontwerp voor dat, wanneer correct geïmplementeerd, veelbelovend was om concreet bewijs te leveren voor zijn bewering. Deze aanpak betrof de vergelijkende studie naar adoptieve relaties van uitmuntende mensen. Naar aanleiding van zijn onderzoek concludeerde Galton dat de sociale en omgevingsvoordelen minder belangrijk zijn dan erfelijkheid bij het veroorzaken van uitmuntendheid. Galtons idee van het vergelijken van adoptieve vs. biologische familieleden was zo goed dat het generaties later nog door genetische onderzoekers wordt toegepast. Desondanks paste hij niet dezelfde statische zorgvuldigheid toe op deze analyse, en beperkte ook nog een zijn studie toe een kleine en ongewone steekproef van twijfelachtige algemene representativiteit.

Alphonse de Candolle
De zwitserse botanist Alphonse de Candolle reageerde kritisch op Hereditary genius. I.t.t. Galton was hij voornamelijk geïnteresseerd in het belang v.d. omgeving en culturele factoren in het behoud van success binnen families. Om deze visie te testen verzamelde de Candolle biografische informatie van meer dan 330 belangrijke Europese onderzoekers, welk hij statisch analyseerde in zijn boek 'History of the sciences and scientist over two centuries' in 1873. Daarin gaf hij toe dat erfelijkheid een bepaalde rol speelt in het veroorzaken van wetenschappelijke uitmuntendheid, maar liet tevens duidelijk zien dat uitmuntende onderzoekers voornamelijk uit kleine tot gemiddeld grote steden komen met gematigde klimaten, democratische regeringen, tolerante religieuze instellingen en bloeiende commerciële interesses.
De eerste zelf-vragenlijst
Het boek van de Candelle spoorde Galton aan om zijn verdere onderzoek naar wetenschappers uit te breiden, om de effecten van  erfelijkheid en omgeving in de achtergrond van deze wetenschappers te onderzoeken. Hij bedacht een uitgebreide vragenlijst waarin om persoonlijke informatie wordt gevraagd.
Dit markeerde de 1ste zelf-vragenlijstmethode. Naar aanleiding v.d. ingevulde vragenlijsten concludeerde Galton dat de meeste wetenschappers geboren werden met de vereiste voorkeuren en bekwaamheid voor hun vak. Daarom moest volgens hem de belangrijkste oorzaken wel erfelijk zijn. Maar sommige andere response hebben ertoe geleid dat Galton een belangrijke concessie moest doen aan de Candolie. Veel wetenschappers haalden ervaringen of invloeden aan, die vermoedelijk hun wetenschappelijke voorkeuren hebben versterkt. Dit leek bewijs voor een omgevingsinvloed, waardoor Galton zijn erfelijkheidstheorie licht moest matigen, waarbij hij volhield dat de erfelijke kant en bekwaamheid noodzakelijk waren, maar niet voldoende om wetenschappelijk talent te veroorzaken. Hiervoor was dus toch een ondersteuning nodig v.d. omgeving.

Nature vs. Nurture
Galton nam de slagzin aan: nature vs nurture. Deze slagzin gebruikte hij zelf in 1874 in zijn boek "English men of science: Their nature and nurture" . Hierin erkende hij dat zowel nature als nurture de levens en carrières van zijn proefpersonen hadden beinvloed. Hij zag tevens dat nature en nurture vaak op ingewikkelde wijze op elkaar inwerken. Om dit te onderzoeken, bedacht hij het tweelingenonderzoek.
Het tweelingonderzoek
Galton vond dat een significante hoeveelheid van zijn resultaten in het onderzoek naar tweelingen in twee algemene categorieën viel. Sommigen vertoonden sterke gelijkenissen, zowel psychologisch als fysiologisch, ondanks dat zij zeer verschillende levensgebeurtenissen hadden doorgemaakt. Anderen groeiden op tot totaal verschillende individuen, terwijl ze wel hetzelfde door hun ouders werden behandeld. Daarom concludeerde hij, deze resultaten te verwachten waren wanneer men uitgaat van fysieke en karaktereigenschappen die met name worden bepaald door genetic, i.p.v. omgeving. Monozygote tweelingen zullen dus op dezelfde manier ontwikkelen, ondanks het verschil in natuur, en dizygote tweelingen zullen verschillen als gewone broers en ontwikkelen, ondanks dat ze hetzelfde behandeld worden. hiermee introceerde Galton een ingenieuze amar nog niet overtuigende aanpak voor het ingewikkelde probleem van nature vs nurture.
Eugentica
Galton bedacht de term eugenetica voor zijn project, waarin hij het menselijk ras door selectief te fokken kon verbeteren. Hij geloofde er namelijk in dat de menselijke bekwaamheid daadwerkelijk erfelijk is. Bijna alles wat hij vanaf dat moment deed stond in het teken van eugenetica. Twee van zijn belangrijkste ontwikkelingen zijn intelligentietest en statische correlatie.

Andere bijdragen
Galton was een van de eerste serieuze onderzoekers van vingerafdrukken. waarvan hij hoopte dat deze een erfelijke basis zouden hebben. Hiervoor ontwikkelde hij een methode om de afdrukken te classificeren in 'lussen', 'bogen' en 'spiralen'. Daarnaast bedacht hij ook vragenlijsten om individuele verschillen in mentale verbeeldingen te onderzoeken. Hij ontdekte dat sommigen letterlijk de beeldein in hun hoofd 'zagen', terwijl anderen alleen abstract 'gedachten' hadden. mensen verschillen dus zeer in de frequentie, intensiteit en levendigheid waarmee ze zich iets verbeelden.
Woordassociatie-experiment
Galton bedacht het woordassociatie-experiment. Hierbij worden 75 stimuluswoorden op stukken papier geschreven, waarna ze in willekeurige volgorde worden gezet, waarna men de eerste twee of drie gedachten moeten ophalen die in gedachte kwam na het zien van elke stimulus. Galton ontdekte dat dit vaak associaties zijn uit de kindertijd. Galton heeft dit onderzoek nooit verder doorgezet, maar Sigmund Freud wel. Ook ontwikkelde Galton 'samengestelde porttretten' van verschillende gezichten, een schoonheidskaart v.d. best uitziende bewoners van de Britse eilanden en stelde hij een onderzoek samen naar de effecten van griep op verbeelding. Hij tachtte onsuccesvol wiskunde te doen door alleen de sensatie van geur te gebruiken en experimenteerde met verschillende technieken voor het maken van thee.
Galton stelt ook ontdekt te hebben dat veel intellectuelen en wetenschappers in het bijzonder, zeer zwakke visuele capaciteit hebben, en dat het hen hier soms zelfs totaal ontbreekt.

De invloed van Galton en de blijvende controverses
Ondanks dat Galton zeer invloedrijk was, blijft het nature-nurture debat bestaan. Dit terijl iedereen het ermee eens is dat beide factoren significant zijn. Tevens is ras een verwarrende, bittere kwestie. Galton heeft hieraan bijgedragen, want zijn schrijven drukte soms een racisme uit dat, ook al was het meer karakteristiek voor de Victoriaanse tijd dan voor onze tijd, toch significant aanwezig was. Terwijl hij erkende dat er individuele verschillen bestaan in bekwaamheden binnen alle etnische populaties, geloofde Galton toch dat er significante verschillen in gemiddelden waren, mat de populaties Europeanen hoog op de lijst. Jaren na Galton's dood werden een aantal van zijn ideeën door Nazi Duitsland overgenomen om de holocaust te promoten.

Tweelingonderzoek en het nature-nurture debat
In 1920 ontdekte men dat met onderzoek naar gescheiden identieke tweelingen een vrijwel perfecte indicatie van erfelijkheid gevonden kan worden voor elke eigenschap, incl. IQ, mits aan twee belangrijke voorwaarden wordt voldaan. De eerste is dat tweelingen aantoonbaar monozygoot moeten zijn en dus een identieke genetische opbouw hebben. De tweede en meer problematische voorwaarde is dat ze daadwerkelijk gescheiden moeten zijn in hun vroegere kindertijd en willekeurig in een representatieve selectie van adoptiegezinnen geplaatst moesten zijn. Alleen wanneer volledig aan deze voorwaarden is voldaan en de IQ's van de tweelingen in volwassenheid gemeten zijn, kan de correlatie tussen hun IQs daadwerkelijk een exacte meting zijn v.d. erfelijkheid van dit kenmerk.
Newman, Freeman en Holzinger
Het eerste grote onderzoek naar "gescheiden" tweelingen werd in 1937 door het team van Horatio Newman, Frank N. Freeman en Karl Holzinger gedaan. Zijn vonden dat de correlatie tussen de tweelingenparen en hun IQ .67 was, sterk positief, maar zeker niet absoluut. Wel vonden ze persoonlijke verhalen waarin tweelingen elkaar na jaren weer vonden en toen bleek dat ze zeer vergelijkbare academische carrieres en IQs hadden. In ander voorbeeld waarin de tweelingen in twee verschillenden omgevingen terecht waren gekomen, verschilden hun IQs echter met 20 punten. Uit deze onderzoeken blijkt dat er dus daadwerkelijk een omgevingseffect aanwezig is.
Burt
In 1960 werd er een uitzondering gevonden op deze resultaten door de Brotse psycholoog Sir Cyril burt. Hij stelde dat de intelligentietests met ong. .80 correleren, wat inhoudt dat er een zeer sterk effect is van nature, t.o.v. nurture. Hij leverde echter nooit details aan over deze casussen en er werden zelfs na zijn dood geen ruwe data gevonden. Een punt dat zowel Galton als onderzoekers aan de Universiteit van Minnesota maakten is dat wanneer de omgeving en opvoeding gelijk gemaakt of geoptimaliseerd worden binnen een populatie, zal de geobserveerde variatie van de karakteristieken binnen die populatie sterker bepaald worden door nature. Wanneer de omgeving zeer ongelijk is, zal de relatieve bijdrage van nurture groter zijn.
















H6. Charles Darwin en de evolutietheorie

Charles Robert Darwin werd onverwacht gevraagd voor de positie van naturalist aan boord van het schip H.M.S. Beagle. Darwin zou de kapitein ondersteunen met geologische, mineralogische en biologische observaties, maar zou de kapitein ook de aankomende vijf jaar vergezellen in zijn kamer. Bij zijn terugkomst stond Darwin bekend als een talentvol en gerespecteerde geoloog en verzamelaar van biologische samples. Hij had een aantal belangrijke observaties gedaan, die voor hem het begin waren van het ontwikkelen van de evolutietheorie door natuurlijke selectie: een revolutionaire biologische theorie met onmetelijke implicaties voor de psychologie.

Darwins vroege leven
Darwin kwam uit een rijke en respecteerde familie. Zijn vader was arts. zijn vader kwam uit een beroemde families die chinees services produceerde en zijn grootvader Erasmus Darwin was een van de bekendste intellectuele figuren van zijn tijd. Darwin bezat al vroeg in zijn leven twee belangrijke kwaliteiten. Allereerst was hij zeer nieuwsgierig en had een voorliefde voor de natuur. Daarnaast was hij een warme en sympathieke man, wat hem vrijwel bij iedereen geliefd maakte.
Darwin werd naar een medische school gestuurd, waar hij taxidermie leerde. Medicijnen vond hij niet interessant genoeg en hij had nare herinneringen aan deze schooltijd. Zijn vader plaatste hem daarom op de Universiteit van Cambridge, waar Darwin werd klaargestoomd om Anglicaans predikant te worden. Hier was hij lid van een club die de Gourmet Club werd genoemd. Deze club stond bekend om hun jacht op vogels en beesten, dit voorheen nog onbekend waren voor de smaakpapillen v.d. mens. Dit kwam echter tot een vroegtijdig eind toen zij probeerden een bruine uit te eten.
Darwin vond geometrie leuk, maar had desondanks 'ruzie' met de binomiale theorie. Vooral het verzamelen van kevers gaf hem veel plezier. Hij noemde dit zijn 'bewijs van mijn ijver'.
Darwin's enthousiasme voor natuurhistorie en zijn gemoedelijke persoonlijkheid trokken de aandacht van meer Cambridge's meer wetenschappelijk georiënteerde faculteit. Dit waren vooral John Stevens Henslow en Adam Sedgwick, professoren in plantkunde en geologie. Darwin ging mee op een van hun excursies naar het platteland en trok veel op het Henslow. Met Sedgwick ging hij na zijn adstuderen in 1831 een zomer naar het noorden van Wales voor geologische tour.

De reis van de Beagle
Darwins reis op Beagle begon in december 1831. Darwin bedacht een sample-zak, dit achter het schip aan sleepte en waarin hij duizenden zeewezens vind die hij vervolgens onderzocht en classificeerde. Hij las over geologie, geografie en biologie. Hij hield een gedetailleerd dagboek bij waarin hij zijn observaties en gedachten beschreef. De bemanning noemde hem 'de filosoof'. Na twee haar was enkel de oostkust van Zuid Amerika onderzocht, waarna de Beagle nog twee jaar aan de westkust spendeerde voordat zij begonnen aan hun lange reis in richting de Galapagoseilanden, Tahiti, Nieuw-Zeeland, Australië en de Kaap de Goede Hoop.

De invloed van Charles Lyell
Tijdens de eerste maanden op zee las Darwin de 'Principles of Geology', geschreven door Charles Lyell. Dit boek promoot een theorie die uniformitarianisme heet: de belangrijkste eigenschappen van de aarde zijn het resultaat van geleidelijke processen, dit zich voltrokken over een onmeetbare hoeveelheid tijd. En in het heden gebeurt dit nog net zoveel als in het verleden. Lydell betwist de toen overheersend alternatieve theorie van het catastrofisme lag in de compatibiliteit ervan met een letterlijke interpretatie v.d. bijbel. Hierbij representeert de zondvloed de belangrijkste geologische natuurramp. Het catastrofisme kwam ook goed overeen met de toen algemeen aanvaarde schatting v.d. leeftijd v.d. aard als slechts ong. 6000 jaar, zoals berekend door de Ierse aartsbisschop James Ussher. Dit deed hij door het optellen v.d. leeftijden v.d. aartsvaders uit het oud testament na Adam en Eva.
Geologische ontdekkingen
Voor het vertrek v. Darwin hebben Henslow en Sedgwick hem aangemoedigd het boek van Lyell te lezen en erover na te denken, maar er niet in te geloven. Toch raakte Darwin steeds meer onder de indruk. Zo vond hij fossielen van zeedieren hoog in het Andesgebergte en een aardbeving in Chili zorgde dat delen v.d. kust zich ineens een paar voet hoger boven het zeeniveau bevonden dan voorheen. Vergelijkende gebeurtenissen kwamen vaker voor over een onmetelijke periode in tijd, zoals beschreven door het uniformitarianisme. Darwin schreef deze bevindingen op en stuurde zijn werk naar Lyell en andere geologen. Dit gaf hem in Engeland de reputatie als een invloedrijke geologische observeerde en leidde tot een wetenschappelijke opinie in het voordeel van het uniformitarianisme. Tevens veronderstelde Darwin dat de aarde al zeer oud was, wat een noodzakelijke voorwaarde werd voor zijn latere evolutietheorie.

Biologische ontdekkingen
Darwin vond o.a. de megatherium. Dit fossiel had het skelet van een moderne luiaard, maar het formaat van een moderne olifant. Een vreemd wezen van neushoorn-formaat, maar zonder hoorns, werd de toxodon genoemd. Dit andere vreemde fossielen fascineerde ook de Engelse naturalisten. Darwin verzamelde ook duizenden levende plant- en diersoorten, waarvan de meesten nog onbekend waren onder wetenschappers.

Twee gedachtelijnen
Terwijl hij op zijn biologische bevindingen reflecteerde, nam hij twee algemene gedachtelijnen aan. Ten eerste vroeg zich geregeld af wat de mogelijke functies van de gevonden dierlijke eigenschappen zijn. Het veranderen van kleur vane en octopus naar de kleur van de achtergrond was voor hem overduidelijk. Daar waar andere observatoren het gedrag van een bepaalde dier 'langzaam' en 'dom' noemden, zocht Darwin naar het nut. De sensitiviteit voor de functionele aanpassing van alle biologische fenomenen hielp hem later om tot zijn evolutietheorie te komen. Zijn tweede belangrijke gedachtelijn begin bijna toevallig toen Darwin de geografische verdeling van soorten begon op te merken. Hij zag dat dieren aan beide zijden v.d. Andes vaak totaal verschillend van elkaar waren, ondanks dat het klimaat en andere omstandigheden over het algemeen hetzelfde waren. De reuzeschildpadden bijv. lieten kleine maar karakteristieke verschillen zien in de vormen van hun schild, wat een ervaren observator liet weten op welk eiland ze geboren waren. Verschillende populaties van de gewone bruine vink verschilden alleen in de grootte en vorm van hun snavels.

De terugreis naar huis
Darwin wilde in oktober 1835 graag terug naar huis, vooral omdat hij nieuwsgierig was nadat zijn familie hem had verteld dat hij al zeer bekend werd in wetenschappelijk kringen. Zijn verzonden samples waren goed behouden gebleven, en Henslow had uittreksels gemaakt van passages van zijn brieven en deze werden door de Cambridge Philosophical Society gepubliceerd: Darwin's eerste wetenschappelijke publicatie.

De evolutietheorie van natuurlijke selectie
Zijn boek 'Journal of Researches into the Geology and natural history of the various countries visited during the voyages of the HMS Beagle under the command of captain FotzRoy, RN' werd een ondmiddelijke bestseller en vestigde Darwin als een voorloper in zijn vakgebied, en een populaire naturalist en reizende schrijver.
In 1837 begin Darwin met het opschrijven van zijn gedachtegang. In een van zijn notitieboeken ging hij specifiek in op een van de meest lastige en controversiële vragen in de biologie. Deze vraag ging over hoe de miljoenen verschillende diersoorten die de aarde bewonen oorspronkelijk zijn ontstaan. het antwoord op deze vraag dat in die tijd geaccepteerd werd, was dat alle soorten gecreerd waren op een en hetzelfde moment, als een complete en onveranderlijke entiteit.
God als ontwerper
Aanhouden van deze traditionele kijk stelden dat de theorie wordt bevestigd door het eerste hoofdstuk van Genesis, waarin staat dat op de vijfde dag God 'elke bewegend levend wezen' op aard had gecreëerd. de meer wetenschappelijke term hiervoor was het argument van ontwerp. Deze term is oorspronkelijk afkomstig van de filosoof/theoloog William Paley. Volgens Paley zijn de verbazingwekkende gecompliceerde organen van verschillende diersoorten zo perfect geconstrueerd en aangepast aan hun functie, dat ze wel ontworpen moeten zijn door een soort machtige en deskundige ontwerper, ofwel 'de hand van God'.
Het idee van geleidelijke evolutie
Darwin wist dat een soortgelijke theorie van geleidelijke evolutie al was gepromoot door zijn grootvader Erasmus Darwin. Daarnaast er in 1809 de zooloog Jean Baptiste Lamarack die voorstelde dat soorten evolueren en veranderen als gevolg van overervende lichamelijke veranderingen, die ontstaan door het vrijwillig trainen of juist het niet meer gebruiken van bepaalde organen.
Een gebrek aan bewijs en in tegenspraak met de Bijbel
Ondanks dat Lamarck en Erasmus Darwin het idee van evolutie onder de wetenschappelijke aandacht brachten, werd de theorie lang niet overal geaccepteerd. Erasmus had geen manier voorgesteld waarop deze evolutie zich zou kunnen voltrekken en de theorie van Lamarck legde niet uit hoe niet-vrijwillige kenmerken zouden ontstaan. De evolutie was daarnaast ook nog eens in tegenspraak met de letterlijke beschrijving van de schepping van alle soorten in genesis, die sterk bepleit werd door de Anglicaanse kerk. Dus toen Charles Darwin terugkeerde van zijn reis, werd het idee van evolutie nog steeds gezien als niet respectabel en had nog niet zodanig vorm aangenomen dat het serieus overwogen kon worden als een alternatief voor het bestaande ontwerp.
Darwins frustratie en bewijs
In de maanden na zijn terugkomst concludeerde Darwin dat het idee van de evolutie of transmutatie van soorten serieus genomen moet worden. Het duizelingwekkende aantal verschillende soorten in de natuur, vaak slechts subtiel verschillend van elkaar, leek meer te wijzen op een lang bestaand en nog steeds voortdurend proces over vele generaties van soorten, dan op een aparte creatie van elke soort. Daarnaast had hij persoonlijke uitgestorven fossiele soorten waargenomen die op moderne soorten leken in alle behalve in de grootte. Daarnaast waren er de Galapagos vinken wiens duidelijk verschillende snavelstructuren suggereerden dat geleidegelijk veranderingen en ontwikkelingen over generaties wel degelijk mogelijk waren. Darwin wist ook dat het fokkers gelukt was om verschillende variaties of rassen van huisdieren konden creëren, door een zorgvuldige selectie van vele generaties. Schaaphonden zijn een voorbeeld van zo'n zorgvuldig gefokt ras.
Geïnspireerd door Thomas Malthus
In de herfst van 1838 bedacht Darwin plotseling een plausibel mechanisme voor het geleidelijk evolueren van ontelbare stabiele soorten in een natuurlijke staat, naar aanleiding van het lezen van 'for amusement' van Thomas Malthus. Malthus geloofde dat de meeste mensen voorbestemd zijn om in armoede te leven, omdat hun mogelijkheden om de populatie te vegroeten veel beter zijn dan hun mogelijkheid om voedselproductie te verhogen. Malthus stelde dus dat uiteindelijk de populatiegrootte de voedselproductie zal overtreffen, wat zal leiden tot een algemene staat van schaarste en armoede. Deze theorie greep de verbeelding van Darwin. Bij elke soort worden over vele generaties ontelbare individuen verwekt. Slechts een deel hiervan zal de ontberingen van hun omgeving overleven om de soort voort te planten. Degenen die overleven zullen over het algemeen die individuen zijn die het beste aangepast zijn aan de gevaren die in de omgeving voorkomen, En als hun adaptieve karakteristieken erfelijk zijn, zullen hun nakomelingen deze karakteristieken ook hebben en in grotere getallen overleven en voortplanten dan hun minder bevoordeeld kameraden. Darwin had zo dus eindelijk een plausibel mechanisme gevonden voor de evolutietheorie voor soorten.
Natuurlijke selectie
Darwin zag dus de natuur als niet alleen het aan banden leggen van de onbeperkte groei v.d. populatie. Hij zag natuur ook als de kracht die selecteert welke individuen, met welke erfelijke eigenschappen, de grootste kans hebben om te overleven en voort te planten. Kijkende naar de enorm lange tijd, moeten veranderingen en variaties in de natuurlijke omgeving talloze gelokaliseerde veranderingen in selectiedruk geproduceerd hebben. Dit zou leiden tot de geleidelijke evolutie van talloze verschillende soorten. Dus de natuurlijke selectie levert de 'motor', of het mechanisme dat theoretisch nodig om een evolutionair proces te ondersteunen.

De oorsprong v.d. soorten
Darwin wist dat zijn theorie niet zo snel geaccepteerd zou worden, mede omdat het een storende veronderstelling met zich mee bracht over de rol v.d. mens in de natuur. De bijbel ziet de mens in een categorie apart v.d. dieren, maar Darwin zag anatomische overeenkomsten met veel dieren en plaatse de mens in het ecologische systeem. In 1842 en 1844 schreef hij samenvattingen v.d. theorie, maar publiceerde dit niet. Hij vertelde maar een handvol betrouwbare vrienden, incl de geoloog Lyell en de botanist Joseph Hooker over zijn geloof in de evolutie. Pas in 1856 vond Darwin dat hij genoeg bewijs had om zijn theorie te publiceren. Hij begon te werken aan een werk getiteld 'Natural selection', waarvan hij verwachtte dat het 3000 paginas zou gaan bevatten.
Alfred Tussel Wallace
Echter in 1853 werd Darwin bruut gestoord door een brief en een manuscript van de naturalist Alfred Russel Wallace. Terwijl Wallace aan het herstellen was van malaria had hij een nieuwe evolutietheorie bedacht en hierover schreef hij aan Darwin. Darwin las gechoqueerd de brief van Wallace over een theorie die oorspronkelijk zijne was. Hij wist niet hoe hij hierop moest reageren en stuurde het manuscript naar Lyell en Hooker, die er al eerder op hadden aangedrongen dat hij zijn theorie moest publiceren voordat iemand anders het deed. Zijn vrienden regelden een eervolle compromis. Uittreksels v.d. ongepubliceerde samenvatting van Darwin uit 1844 en de nieuwe paper v. Wallace zouden beide gelezen worden, in de afwezigheid van beide auteurs op de volgende bijeenkomst v.d. Linnean Society. Ontwikkeling v.d. evolutietheorie door natuurlijke selectie in juli 1858 door Darwin en Wallace gedeeld.
On the orgin of species
Darwin wilde zijn theorie ondersteunen met zeer veel bewijs. Nu zijn geheime theorie echter onthuld was wilde hij de theorie vooral snel publiekelijk onder aandacht brengen. Dit hoefde niet perse met zijn 1000 pagina's 'Natural selection' maar wel een lang genoeg werk om de kracht v.d. theorie te illustreren. Daarom spendeerde hij een jaar aan het schrijven van 'On origin of species by means of natural selection, or the preservation of flavoured races in the struggle of life'. Dit boek met 490 pagina's werd in 1850 gepubliceerd en werd het meest invloedrijke boek v.d. eeuw. Ondanks dat dit boek voornamelijk over planten en dieren gaat, onstond er een debat betreffende de vraag of mensen hier los van staan en een speciale creatie zijn van God, of 'afstammelingen v.d. apen'.
Thomas Henry Huxley (1825-1895)
De niet strijdlustige Darwin deinsde zelf terug v.d. polemieken (=geschreven oorlog) maar vond een bijzonder uitgesproken voorstander in Thomas Henry Huxely. Huxely was een expert in de anatomie v. primaten en schreef Darwin gelijk nadat hij met overtuiging 'Origin of species' had gelezen. Hij werd de 'Bulldog v. darwin' genoemd nadat hij o.a. de natuurlijke selectie verdedigde in een debat in 1860 tegen Samanual Wilberfoce, de bisschop v. Oxford.
Meer bewijs
Een jaar later werden er twee nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen gedaan. Ten eerste werden er fossielen van de uitgestorven archeoteryx gevonden, de oudste vogel. Dit wezen had vingers op zijn vleugels en wervels en een staart zoals reptiel. Darwin had eerder al gespeculeerd dat de vogels geëvolueerd zijn uit de reptielen, dus met deze ontdekking werd zijn theorie ondersteund. In 1861 herstelde een Afrikaanse ontdekker de schedels en opgezette lichamen van gorillas. De gorilla bleek anatomische zeer te lijken op de mens. Deze ontdekkingen bewezen niets voor de evolutie en samenhangende soorten, maar leverden wel aanwijzingen die de geloofwaardigheid van de theorie erg hielpen. Verder bewijs volgde snel, en binnen een aantal jaar werden de argumenten v.d. 'Origin' algemeen geaccepteerd door een overweldigend meerderheid van deskundige onderzoekers.

Darwin en psychologie
In origin of species voegde Darwin een korte profetische paragraaf toe waarin hij suggereerde dat de menselijke mentale kwaliteiten uiteindelijk gezien kunnen worden als het resultaat van evolutie. Het volgende decennium liet hij het uitwerken van dit over aan anderen, waaronder zijn neef Francis Galton. Darwin had in het begin niet veel aandacht voor de psychologie, maar in 1870 publiceerde hij ' The descent of man', in 1871 ' Selection in relation to sex', in 1872 'The expression of the emotions in man and animals' en in 1877 'A biographical sketch of an infant'.
The descent of man
In the descent of man beschreef Darwin dat mensen afstammeling zijn van dierlijke voorouders. Dit argument opende hij met de structurele overeenkomsten tussen mensen en de hogere klasse dieren, bijv. overeenkomsten in botten, spieren, bloedvaten , ingewanden, zenuwen en het belangrijkste van alle organen de hersenen. Al deze kenmerken plaatsen Homo sapiens zeer waarschijnlijk in het domein v.d. fysiek evoluerende soorten. Hierna wilde Darwin laten zien dat er geen fundamenteel verschil is tussen de mens de hogere zoogdieren in mentale vermogens, zoals moed en vriendelijkheid. Zo stelde hij o.a. dat honden veel dezelfde emoties vertonen als mensen, zoals jaloezie, trots, schaamte en zelfs een vorm van humor. Dieren vertonen geheugen, aandacht en nieuwsgierigheid en omdat honden ook dromen en hierin bijv. ook kwispelen kan er gesteld worden dat zij de mogelijkheid tot verbeelding hebben. Daarnaast stelde Darwin dat dieren de grondbeginselen van rede vertonen, de enige eigenschap van de ziel die Descartes exclusief had toegeschreven aan de mens. Ze hebben baat bij leren van ervaring, communiceren met elkaar door geluid en gebaren en waarderen schoonheid door duidelijke paringsvoorkeuren voor verschillende lichaamsmarkeringen en versieringen. Na vele van deze voorbeelden overwogen te hebben concludeerde Darwin categorisch: "Het verschil in geest tussen de mens en de hogere zoogdieren, hoe groot het ook is, is er duidelijk een van gradaties en niet van soort".

Ras
De victoriaanse eeuw in Groot Brittannië staat bekend om de extreme verschillen in houdingen en overtuigingen over ras en de oorzaken etnische verschillen. Een van de extremen waren de polygenisten, die stelden dat de niet-Europese "wilde" mensen duidelijk een verschillend soort wezens zijn. De monogenisten, anderzijds, geloofden in de gedeelde afkomst en verwantschap v. alle menselijke groepen, hoewel ze ook breed variërende theorieën aanhielden om de geobserveerde onderlinge verschillen te verklaren. Sommigen schreven bijv deze verschillen vooral toe aan de omgeving en aan culturele variabelen, terwijl anderen geloofden dat de Afrikaanse groepen afstammen van de Bijbelse Ham, de zoon van Noach. Zij stellen dat de nakomelingen door God vervloekt zijn en door het nageslacht van Noachs andere zonen veroordeeld werden tot slavernij. Volgens Darwin bestond er geen twijfel over het feit dat de omgeving- en educatieve variabelen zeer belangrijk waren in het produceren van individuele verschillen tussen mensen en dat voornamelijk de slavernij verschrikkelijke effecten had op de slachtoffers ervan. Tijdens zijn reis aan boord van de Beagle was Darwin ontzet over de relaties tussen meesters en slaven op Braziliaanse plantages. Hij concludeerde dat het karakter van de slaven in het algemeen superieur is aan dat van hun witte meesters. de 'gepolijste barbaren' die hen onderdrukten en kleineerden. Darwin zag de huidskleur als een natuurlijke aanpassing op verschillende blootstelling aan direct zonlicht.

Seksuele selectie
De volledige titel van Darwins boek was 'The descent of man, and selection in relation to sex'. Het laatste gedeelte van deze titel bevat het controversiële onderwerp: de kwestie van verschillen tussen mannen en vrouwen. In zijn boek noemde hij dit seksuele selectie: de geleidelijke selectie en evolutie van karakteristieken die bijzonder gunstig zijn voor het voortplantingssucces. Om hun genetisch materiaal door te geven moet men niet alleen fysiek overleven maar ook paren en voortplanten. Mannen en vrouwen vormen een voorkeur voor een bepaald soort leven gezel, waardoor er een druk ontstaat voor een bepaald type schoonheid om te evolueren. Darwin geloofde dat seksuele selectie ook menselijke evolutie beïnvloedde, wat resulteert in een aantal karakteristieke mentale en fysiek verschillen tussen de seksen.

Geslacht
Ondanks zijn onpartijdigheid in het toeschrijven van positieve mentale kwaliteiten aan vrouwen, was Darwin toch eenduidig als het gaat om intellectuele kwaliteiten. Hij ging uit van een algemene intellectuele superioriteit. Zijn idee dat mannen en vrouwen zodanig evolueren dat dit leidt tot verschillende psychologische eigenschappen die elkaar aanvullen, werd bekend en bekritiseerd onder de naam complementaire hypothese. Darwin stelde dat mannen meer door evolutie zijn veranderd dan vrouwen en als gevolg meer onderlinge variatie laten zien. Volgens deze variatiehypothese zou bijv de reikwijdte van mannen van verschillende lengtes groter zijn dan bij vrouwen, wanneer je de lengte van populaties volwassen mannen vrouwen meet. Darwin schreef dat de oorzaak van deze grotere variatie onder mannen onbekend was. Hij paste dit idee dan ook niet expliciet toe op de intellectuele verschillen tussen mannen en vrouwen. Anderen deden dit echter wel, bewerende dat in een grote populatie mannen meer gevallen bevat van extreem hoge intelligentie, vergeleken met een vergelijkbare groep vrouwen.

Een biografische schets van een kind
Vijf jaar na 'The expression of the emotions' herinnerde Darwin zich dat hij een gedetailleerde log had bijgehouden van zijn eerstgeboren kind. Zevenendertig jaar later bleek hij zin notities over de vele reflexen van zijn zoon en publiceerde een herschreven stuk van tien pagina's. Vandaag de dag wordt dit werk nog steeds gezien als een mijlpaal in de geschiedenis v.d. kinderpsychologie. Darwin zag de ontwikkeling van zijn zoon als de geleidelijke versterking, toename in ingewikkeldheid, en fusie van de oorspronkelijk eenvoudige en losstaande handelingen. Taal bijv pas na het horen en begrijpen van woorden gedurende een bepaalde periode, zou zijn zoon zelf nieuwe betekenisvolle woorden gaan vormen en uitvinden. Hij suggereerde dat de ontwikkeling van een individu behoort. Tijdens het leren van taal, ging zijn zoon versneld door dezelfde fasen waar zijn pre-menselijke voorouders vermoedelijk doorheen zijn gegaan. Daarom suggereert Darwin dat elk individu op de een of ander manier de beginselen van zijn lange evolutionaire verleden behoudt. Dit was tevens nog een element van zijn algemene argument voor evolutie.

Sociaal Darwinisme
Kort na Darwin's dood werd het sociaal darwinisme opgericht. Ondanks dat deze Darwin's naam droeg, had de beweging net zoveel te danken aan de productieve filosoof Herbert Spencer, als aan Darwin zelf. Zij hielden dan ook een aantal ideen aan die Darwin niet ondersteunde. Spencer was al een aanhanger v.d. evolutietheorie v. Lamarck, zelf voordat Darwin 'Origin' had geschreven, en schreef zelf 'Principles of psychology' in 1855.
Synthetische filosofie
In het ambitieuze programma 'synthetische filosofie' deed Spencer een poging tot het classificeren v.d. diverse disciplines v. biologie, psychologie, sociologie en antropologie onder een in principe evolutionaire kijk. Hij stelde dat individuele organismen, soorten, politieke systemen en gehele samenlevingen hetzelfde zijn in dat ze allemaal de neiging hebben o te evolueren van relatief eenvoudig en homogene entiteiten tot complexere en heterogene entiteiten. Hij geloofde dat zulke evolutie zeer gewilde 'vooruitgang' opleverde, waarbij hij veronderstelde dat door de ongeremde competitie tussen individuen onderling, alleen de sterkste overleefden. Deze sterkste konden dat de soort in stand houden. Vooruitgang van alle diersoorten zou maximaal behaald moeten worden door samenleving en overheden die vrije competitie toestaan. Darwin was enigszins terghoudend richting Spencer en zijn synthetische filosofie.

Vergelijkende psychologie en individuele verschillen
Binnen de zich ontwikkelende discipline v.d. psychologie had Darwin een meer permanente en positieve invloed. Vlak voor zijn dood gaf hij zijn jongere vriend George J. Romanes volledige toegang tot zijn aantekeningen over dierlijk gedrag. Romanes voegde aan deze notities een eigen onderzoek toe en publiceerde twee baanbrekende boeken: 'Animal intelligence' en 'Mental evolution in animals'. Romanes beschreef zijn werk als vergelijkende psychologie, een naam die werd gekozen als analogie v.d. gevestigde discipline van vergelijkende anatomie. Romanes stelde dat het onderzoek naar de overeenkomsten en verschillen tussen meerder dierlijke psychologische functies mogelijk een licht kon werpen op hun menselijke tegenhangers, op dezelfde manier waarop het onderzoek naar fysiek structuren dat deed. Binnen de menselijke psychologie, eiste de theorie van Darwin dat de geest en het gedrag in het algemeen niet langer bekeken konden worden als statisch "gegeven". Beide konden slechts beschreven en geanalyseerd worden.